Geestelijke groei

Geef mij te drinken uit de zoetgeurende stromen van Uw eeuwigheid, o mijn God, en laat mij de vruchten te proeven van de boom van Uw wezen, o mijn Hoop! Veroorloof mij volop te drinken van de kristalheldere bronnen van Uw liefde, o mijn Glorie, en laat mij verblijven in de schaduw van Uw eeuwigdurende voorzienigheid, o mijn Licht! Laat mij over de velden van Uw nabijheid zwerven in Uw tegenwoordigheid, o mijn Geliefde, en zetel mij ter rechterzijde van de troon van Uw barmhartigheid, o mijn Verlangen! Laat een vleug van de geurige bries van Uw vreugde over mij gaan, o mijn Doel, en vergun mij de hoogten van het paradijs van Uw werkelijkheid te betreden, o mijn Aanbedene! Sta mij toe te luisteren naar de melodieën van de duif Uwer één-zijn, o Luisterrijke, en beziel mij door de geest van Uw kracht en Uw macht, o mijn Verzorger! Laat mij standvastig blijven in de geest van Uw liefde, o mijn Helper, en plaats mijn voeten stevig op het pad van Uw welbehagen, o mijn Maker! Laat mij voor immer in de tuin van Uw onsterfelijkheid verblijven voor Uw aangezicht, o Gij die mij genadig zijt, en plaats mij op de zetel van Uw heerlijkheid, o Gij die mijn Bezitter zijt! Verhef mij tot de hemel van Uw goedertierenheid, o mijn Bezieler, en leid mij tot de Dagster van Uw leiding, o Gij die mij bekoort! Roep mij op aanwezig te zijn bij de openbaringen van Uw onzichtbare geest, o Gij die mijn oorsprong en mijn hoogste wens zijt, en laat mij terugkeren tot de essentie van de zoete geur van Uw schoonheid die Gij zult openbaren, o Gij die mijn God zijt!
Machtig zijt Gij te doen naar Uw behagen. Gij zijt waarlijk de Verhevenste, de Alglorierijke, de Allerhoogste.

Bahá’u’lláh

 

Schep in mij een zuiver hart, o mijn God, en vernieuw in mij een rustig geweten, o mijn Hoop! Bekrachtig mij in Uw Zaak door de geest van macht, o mijn Meestgeliefde, en toon mij Uw weg door het licht van Uw heerlijkheid, o Gij het doel van mijn verlangen! Verhef mij tot de hemel van Uw heiligheid door de kracht van Uw alles te boven gaande macht, o Bron van mijn wezen, en verblijd mij door de ademtocht van Uw eeuwigheid, o Gij die mijn God zijt! Laat Uw eeuwigdurende melodieën mij rust geven, o mijn Metgezel, en laat de rijkdom van Uw aloude aanschijn mij verlossen van alles buiten U, o mijn Meester, en laat de tijdingen van de openbaring van Uw onvergankelijke Essentie mij vreugde brengen, o Gij die de kenbaarste van het kenbare zijt en de verborgenste van het verborgene!

Bahá’u’lláh

 

Hij is de Genadige, de Almilddadige!
O God, mijn God! Uw roep trok mij aan en de stem van Uw Pen van heerlijkheid heeft mij gewekt. De stroom van Uw heilige woorden heeft mij betoverd en de wijn van Uw bezieling heeft mij in vervoering gebracht. Gij ziet mij, o Heer, onthecht van alles buiten U, mij vastklemmend aan het koord van Uw milddadigheid en hunkerend naar de wonderen van Uw genade. Ik vraag U, bij de eeuwige golven van Uw goedertierenheid en het glanzende licht van Uw liefdevolle zorg en genegenheid, mij datgene te verlenen wat mij nader tot U zal brengen en mij rijk zal maken in Uw overvloed. Mijn spraak, mijn pen en mijn gehele wezen getuigen van Uw kracht, Uw macht, Uw genade en Uw milddadigheid, dat Gij God zijt en er geen God is buiten U, de Krachtige, de Machtige.
Ik getuig op dit moment, o mijn God, van mijn hulpeloosheid en Uw soevereiniteit, mijn zwakheid en Uw kracht. Ik weet niet wat mij ten goede komt of wat mij kwaad berokkent; Gij zijt waarlijk de Alwetende, de Alwijze. Beschikt Gij voor mij, o Heer, mijn God en mijn Meester, wat mij tevreden zal doen zijn met Uw eeuwige beschikking en mij zal doen gedijen in elk van Uw werelden. Gij zijt in waarheid de Genadige, de Milddadige.
Heer! Stuur mij niet weg van de oceaan van Uw rijkdom en de hemel van Uw genade, en beschik voor mij het goede van deze wereld en van het hiernamaals. Waarlijk, Gij zijt de Heer van de genadetroon, gezeteld in den hoge. Er is geen God dan Gij, de Ene, de Alwetende, de Alwijze.

Bahá’u’lláh

 

O mijn Heer! Laat Uw schoonheid mijn voedsel zijn en Uw tegenwoordigheid mijn drank, Uw behagen mijn hoop, het U loven mijn daad en het U gedenken mijn metgezel, de kracht van Uw soevereiniteit mijn helper, Uw verblijf mijn woning en mijn verblijfplaats de zetel die Gij hebt geheiligd van de beperkingen opgelegd aan hen die als door een sluier van U zijn gescheiden.
Gij zijt waarlijk de Almachtige, de Alglorierijke, de Krachtigste.

Bahá’u’lláh

 

Geprezen zij Uw Naam, o Heer mijn God! Ik ben Uw dienaar die het koord van Uw tedere barmhartigheid heeft gegrepen en zich aan de zoom van Uw milddadigheid heeft geklemd. Ik smeek U bij Uw Naam waarmee Gij al het geschapene, zichtbaar en onzichtbaar, onderworpen hebt en waardoor de ademtocht die het ware leven is over de gehele schepping streek, mij te sterken door Uw kracht die de hemelen en de aarde omvat, en mij te behoeden voor alle ziekte en rampspoed. Ik getuig dat Gij de Heer aller namen zijt, en de Beschikker van al hetgeen U behagen mag. Er is geen ander God dan Gij, de Almachtige, de Alwetende, de Alwijze.
Beschik voor mij, o mijn Heer, wat mij in elk van Uw werelden ten goede zal komen. Voorzie mij dan van hetgeen Gij hebt neergeschreven voor de uitverkorenen onder Uw schepselen, die zich noch door de beschuldiging van de beschuldiger, noch door het getier van de ongelovige, noch door de vervreemding van hen die zich van U hebben teruggetrokken lieten weerhouden zich tot U te keren.
Gij zijt waarlijk de Helper in nood door de macht van Uw soevereiniteit. Geen God is er dan Gij, de Almachtige, de Krachtigste.

Bahá’u’lláh

 

O mijn God, de God van milddadigheid en erbarmen! Gij zijt de Koning door Wiens gebiedend Woord de gehele schepping tot bestaan is gewekt, en Gij zijt de Almilddadige die door de daden van Zijn dienaren nimmer is weerhouden Zijn genade te betonen, noch hebben deze de openbaring van Zijn milddadigheid kunnen tegenhouden.
Ik smeek U, laat deze dienaar datgene bereiken wat in elk van Uw werelden tot zijn verlossing zal leiden. Gij zijt waarlijk de Almachtige, de Krachtigste, de Alwetende, de Alwijze.

Bahá’u’lláh

 

Hij is de God die gebeden verhoort en beantwoordt!
Bij Uw glorie, o Geliefde, Gij die de wereld licht schenkt! Het vuur van scheiding verslindt mij, en mijn weerspannigheid verteert mijn hart. Ik vraag U, bij Uw Allergrootste Naam, o Gij het Verlangen der wereld en de Welbeminde der mensheid, te geven dat de bries van Uw bezieling mijn ziel steunt, opdat Uw wondere stem mijn oor bereikt en mijn oog Uw tekenen en Uw licht aanschouwt zoals dat is onthuld in de openbaring van Uw Namen en Uw eigenschappen, o Gij in Wiens greep alle dingen liggen!
Gij ziet, o Heer mijn God, de tranen die Uw uitverkorenen plengen om hun gescheiden zijn van U, en de angsten van hen die U toegewijd zijn in hun veraf zijn van Uw heilig Hof. Bij Uw kracht die over al het zichtbare en onzichtbare heerst! Het past Uw dienaren tranen van bloed te plengen vanwege hetgeen de gelovigen is aangedaan door de verdorvenen en de onderdrukkers der aarde. Gij ziet, o mijn God, hoe de goddelozen Uw steden en Uw rijken hebben omsingeld! Ik vraag U bij Uw Boodschappers en Uw uitverkorenen en bij Hem door wie het vaandel van Uw goddelijke eenheid onder Uw dienaren is geplant, hen te beschermen met Uw milddadigheid. Gij zijt waarlijk de Genadige, de Almilddadige.
En nogmaals vraag ik U bij de zoete regens van Uw genade en de golven van de oceaan van Uw gunst, om voor Uw heiligen datgene te bestemmen wat hun ogen zal vertroosten en hun hart zal bemoedigen. Heer! Gij ziet deze geknielde hunkeren om op te staan en U te dienen, de dode roepen om het eeuwige leven uit de oceaan van Uw gunst en smachten om naar de hemel van Uw rijkdom op te wieken, de vreemdeling verlangen naar zijn glorieuze woning onder het baldakijn van Uw genade, de zoeker zich door Uw erbarmen haasten naar de deur van milddadigheid, de zondige zich wenden tot de oceaan van vergeving en gratie.
Bij Uw soevereiniteit, o Gij die verheerlijkt wordt in het hart der mensen! Ik heb mij tot U gewend, mijn eigen wil en wens verzakend opdat Uw heilige wil in mij mag heersen en mij zal leiden in overeenstemming met hetgeen de pen van Uw eeuwige beschikking voor mij heeft bestemd. Al is deze dienaar hulpeloos, o mijn Heer, hij keert zich naar de Hemelbol van Uw kracht, al is hij vernederd, hij spoedt zich naar de dageraad van glorie, al is hij behoeftig, hij smacht naar de oceaan van Uw genade. Ik smeek U bij Uw gunst en milddadigheid hem niet af te wijzen.
Gij zijt waarlijk de Almachtige, de Verontschuldiger, de Meedogende.

Bahá’u’lláh

 

Verheerlijkt zijt Gij, o Heer mijn God! Ik dank U dat Gij mij in Uw dagen tot leven hebt geroepen en mij met Uw liefde en Uw kennis hebt bezield. Ik smeek U, bij Uw Naam waardoor de schone parelen van Uw wijsheid en Uw woorden te voorschijn zijn geroepen uit de schatkamers van het hart van diegenen onder Uw dienaren die U nabij zijn, en waardoor de Dagster van Uw Naam, de Meedogende, haar luister heeft uitgestort over allen die in Uw hemel en op Uw aarde zijn, mij door Uw genade en milddadigheid Uw wondere en verborgen weldaden te schenken.
Dit zijn de eerste dagen van mijn leven, o mijn God, die Gij hebt verbonden met Uw eigen dagen. Onthoud mij niet hetgeen Gij voor Uw uitverkorenen hebt beschikt, nu Gij mij zulk een grote eer hebt verleend.
Ik ben, o mijn God, slechts een nietig zaadje dat Gij in de aarde van Uw liefde hebt gezaaid en door de hand van Uw milddadigheid deed ontkiemen. Dit zaadje hunkert daarom in zijn diepste wezen naar de wateren van Uw genade en naar de levende bron van Uw gunst. Zend vanuit de hemel van Uw goedertierenheid datgene neer waardoor het in Uw schaduw en binnen de grenzen van Uw hof kan gedijen. Gij zijt Degeen die het hart van allen die U hebben erkend verkwikt uit Uw overvloedige stroom en uit de bron van Uw levende wateren.
Ere zij God, de Heer aller werelden.

Bahá’u’lláh

 

Ik smeek U, o mijn God, bij de alles te boven gaande glorie van Uw Naam, Uw geliefden te kleden met de mantel van rechtvaardigheid en hun wezen te verlichten met het licht van betrouwbaarheid. Gij zijt Degeen die de macht heeft te doen naar Zijn behagen en Degeen die de teugels aller dingen, zichtbaar en onzichtbaar, in Zijn greep houdt.

Bahá’u’lláh

 

Geprezen zijt Gij, o Heer mijn God! Ik smeek U bij Uw tekenen die de gehele schepping omvatten, en bij het licht van Uw aangezicht dat allen die in de hemel en op aarde zijn verlicht, en bij Uw barmhartigheid die al het geschapene te boven gaat, en bij Uw genade die over het gehele universum is uitgestort, de sluiers die mij van U scheiden vaneen te scheuren, opdat ik mij spoede naar de Bron van Uw machtige bezieling en naar de Dageraad van Uw Openbaring en milddadige gunsten, en worde ondergedompeld in de oceaan van Uw nabijheid en welbehagen.
Laat mij in Uw dagen niet verstoken zijn van het U kennen, o mijn Heer, en neem de mantel van Uw leiding niet van mij weg. Geef mij te drinken uit de rivier die het ware leven is, waarvan de wateren zijn voortgestroomd uit het Paradijs (Riḍván) alwaar de troon van Uw Naam, de Albarmhartige, is opgericht, dat mijn ogen geopend, mijn gelaat verhelderd, mijn hart bemoedigd, mijn ziel verlicht en mijn schreden onwankelbaar gemaakt mogen worden.
Gij zijt Degeen die door de kracht van Zijn macht eeuwig boven alle dingen verheven waart, en die door de werking van Zijn wil alle dingen heeft kunnen bepalen. Volstrekt niets in Uw hemel of op Uw aarde kan U van Uw plan afhouden. Wees mij dan genadig, o mijn Heer, door Uw goedgunstige voorzienigheid en grootmoedigheid, en neig mijn oor naar de zoete melodieën van de vogels die Uw lof zingen op de takken van de boom van Uw één-zijn.
Gij zijt de Grote Gever, de Immervergevende, de Meedogendste.

Bahá’u’lláh

 

Ik smeek U, o mijn God, bij Uw verhevenste Woord, dat Gij hebt bestemd tot het goddelijke elixer voor allen die zich in Uw rijk bevinden, het elixer door welks kracht het ruwe metaal van het menselijk leven veranderd is in het zuiverste goud, o Gij in Wiens hand zich zowel de zichtbare als de onzichtbare koninkrijken bevinden, te beschikken dat mijn keuze in overeenstemming met Uw keuze zal zijn, en mijn wens met Uw wens; dat ik volkomen tevreden mag zijn met hetgeen Gij verlangt en geheel voldaan met hetgeen Gij in Uw milddadigheid en gunst voor mij hebt bestemd. Machtig zijt Gij te doen naar Uw wil. Gij zijt, in waarheid, de Alglorierijke, de Alwijze.

Bahá’u’lláh

 

O God, mijn God! Gij hoort het zuchten van Hem die Uw Licht (Bahá) is, beluistert Zijn weeklachten bij dag en nacht, en weet dat Hij niets voor Zichzelf wenst, doch er veeleer naar streeft de ziel van elk van Uw dienaren te heiligen en hen te verlossen van het vuur waardoor zij te allen tijde worden bedreigd. O Heer! De handen van Uw welbegunstigde dienaren zijn geheven naar de hemel van Uw milddadigheid en de handen van hen die U oprecht liefhebben reiken naar de verheven hoogten van Uw grootmoedigheid. Ik smeek U, stel hen niet teleur in wat zij zoeken in de oceaan van Uw gunst en in de hemel van Uw genade en de Dagster van Uw milddadigheid. Help hen, o Heer, die deugden te verwerven die hun aanzien onder de volkeren van de wereld zullen verhogen. Waarlijk, Gij zijt de Krachtige, de Machtige, de Edelmoedigste.

Bahá’u’lláh

 

Zeg: O God, mijn God! Tooi mijn hoofd met de kroon van gerechtigheid en mijn slapen met het sieraad van rechtvaardigheid. Gij zijt waarlijk de Bezitter van alle gaven en weldaden.

Bahá’u’lláh

 

Verleen mij, o mijn God, de volle maat van Uw liefde en Uw welbehagen, en breng ons hart in vervoering door de bekoring van Uw schitterend licht, o Gij die het Hoogste Bewijs en de Allerheerlijkste zijt. Zend mij, als teken van Uw genade, bij dag en bij nacht Uw levenschenkende bries, o Heer van milddadigheid.
Niets, o mijn God, heb ik gedaan waardoor ik het verdien Uw gelaat te aanschouwen, en ik weet zeker dat ik, ook al zou ik voortleven zolang de wereld bestaat, geen enkele daad zal kunnen volbrengen om deze gunst te verdienen, aangezien de rang van dienaar nimmer toereikend is om toegang tot Uw heilige voorhof te verkrijgen, tenzij Uw milddadigheid mij bereikt en Uw liefdevolle barmhartigheid mij doordringt en Uw liefderijkheid mij omgeeft.
Alle lof zij U, o Gij buiten wie er geen ander God is. Sta mij genadiglijk toe tot U te komen, de eer te genieten in Uw nabijheid te verblijven en alleen met U te verkeren. Geen God is er dan Gij.
Waarlijk, zoudt Gij een dienaar willen zegenen dan zoudt Gij ieder noemen van iets anders dan U, of de neiging daartoe, uit zijn hart wissen; en zoudt Gij voor een dienaar kwaad beschikken vanwege de onrechtvaardigheden die zijn handen voor Uw ogen hebben bedreven, dan zoudt Gij hem beproeven met de geneugten van deze wereld en van de volgende, dat hij daardoor in beslag genomen zou worden en vergeet U te gedenken.

De Báb

 

O mijn God! O mijn God! Glorie zij U daar Gij mij hebt bevestigd in het belijden van Uw één-zijn, mij hebt aangetrokken tot het woord van Uw enig-zijn, in vlam hebt gezet met het vuur van Uw liefde en mij vervuld hebt van het U noemen en het dienen van Uw vrienden en dienaressen.
O Heer, help mij deemoedig en nederig te zijn en sterk mij om mijzelf los te maken van alle dingen en mij vast te houden aan de zoom van de mantel van Uw glorie, zodat mijn hart vervuld mag worden van Uw liefde en er geen ruimte meer is voor liefde voor de wereld en gehechtheid aan haar eigenschappen.
O God! Heilig mij van alles buiten U, zuiver mij van het droesem van zonden en overtredingen en laat mij een geestelijk hart en geweten krijgen.
Gij zijt waarlijk barmhartig, en Gij zijt waarlijk de Edelmoedigste, Wiens hulp door allen wordt ingeroepen.

‘Abdu’l-Bahá

 

O mijn Heer! O mijn Heer! Dit is een lamp die is aangestoken met het vuur van Uw liefde en brandt met de vlam die in de boom van Uw barmhartigheid is ontstoken. O mijn Heer! Vergroot zijn ontvlambaarheid, hitte en vuur met de vlam die in de Sinaï van Uw Manifestatie is ontstoken. Waarlijk, Gij zijt de Bekrachtiger, de Helper, de Krachtige, de Edelmoedige, de Liefderijke.

‘Abdu’l-Bahá

 

O mijn God! O mijn God! Deze dienaar is nader tot U gekomen, zwerft hartstochtelijk door de woestijn van Uw liefde, bewandelt het pad van dienstbaarheid aan U, ziet uit naar Uw gunsten, hoopt op Uw gaven, vertrouwt op Uw koninkrijk en is bedwelmd door de wijn van Uw gift. O mijn God! Vermeerder het vuur van zijn genegenheid voor U, de standvastigheid van zijn lof voor U en het vuur van zijn liefde voor U.
Waarlijk, Gij zijt de Edelmoedigste, de Heer van overvloedige genade. Er is geen ander God dan Gij, de Vergevende, de Barmhartige.

‘Abdu’l-Bahá

 

O God, mijn God! Dit is Uw stralende dienaar, Uw geestelijke slaaf die U nabij is gekomen en Uw tegenwoordigheid is genaderd. Hij heeft zijn gelaat naar het Uwe gekeerd, erkent Uw één-zijn en belijdt Uw enig-zijn, en hij heeft in Uw Naam de volkeren opgeroepen en de mensen naar de stromende wateren van Uw barmhartigheid geleid, o Gij edelmoedigste Heer! Hij heeft hen die er om vroegen te drinken gegeven uit de beker van leiding die overvloeit van de wijn van Uw onbegrensde genade.
O Heer, sta hem onder alle omstandigheden bij, laat hem Uw welbewaarde mysteriën leren, en regen Uw verborgen parelen op hem neer. Maak hem tot een banier dat hoog van de kantelen wappert in de wind van Uw hemelse hulp, maak hem tot een bron van kristalhelder water.
O mijn vergevingsgezinde Heer! Verlicht de harten met de stralen van een lamp die zijn lichtbundels alom verspreidt, en de werkelijkheid aller dingen openbaart aan diegenen onder Uw dienaren die Gij overvloedig hebt begunstigd.
Waarlijk, Gij zijt de Machtige, de Krachtige, de Beschermer, de Sterke, de Goedgunstige! Waarlijk Gij zijt de Heer aller weldaden!

‘Abdu’l-Bahá

 

O God, mijn God! Dit zijn Uw zwakke dienaren; zij zijn Uw getrouwe lijfeigenen en Uw dienaressen, die zich voor Uw verheven Woorden hebben gebogen, zich voor Uw Drempel van licht hebben verootmoedigd en hebben getuigd van Uw één-zijn waardoor de Zon in haar middagpracht is gaan schijnen. Zij hebben gehoor gegeven aan de oproep die Gij deed uitgaan vanuit Uw verborgen Rijk, en hebben Uw roep beantwoord met een hart dat bonst van liefde en vervoering.
O Heer, stort de volle stroom van Uw barmhartigheid over hen uit, doe al de wateren van Uw genade op hen neerkomen. Laat hen als prachtige planten gedijen in de hemelse tuin, en laat deze tuin vanuit de overvloeiende wolken van Uw gaven en de diepe poelen van Uw overvloedige genade bloeien, en houd hem voor altijd groen en luisterrijk, voor immer fris, glinsterend en mooi.
Gij zijt waarlijk de Machtige, de Verhevene, de Krachtige, Hij die als enige in de hemelen en op aarde onveranderd blijft. Er is geen ander God dan Gij, de Heer van duidelijke tekenen en aanwijzingen.

‘Abdu’l-Bahá

 

Hij is God!
O God, mijn God! Dit zijn dienaren die in Uw dagen bekoord zijn door de geuren van Uw heiligheid, die aangestoken zijn door de vlam die brandt in Uw heilige boom, gehoor geven aan Uw stem, Uw lof uiten, gewekt zijn door Uw bries, geroerd zijn door Uw zoete geuren, Uw tekenen aanschouwen, Uw verzen begrijpen, Uw woorden beluisteren, in Uw Openbaring geloven en zeker zijn van Uw goedertierenheid. O Heer, hun blik is gevestigd op Uw koninkrijk van luisterrijke glorie en hun gelaat is gekeerd naar Uw rijk in den hoge, hun hart klopt van liefde voor Uw stralende en glorierijke schoonheid, hun ziel wordt verteerd door de vlam van Uw liefde, o Heer van deze wereld en de wereld hierna, hun leven ziedt met het vuur van hun verlangen naar U en hun tranen stromen voor U.
Bescherm hen in de vesting van Uw beschutting en veiligheid, bewaar hen met Uw waakzame zorg, bezie hen met het oog van Uw voorzienigheid en erbarmen, maak hen tot tekenen van Uw goddelijke eenheid die in alle streken zichtbaar zijn, banieren van Uw macht die op Uw verblijven van grootsheid wapperen, stralende lampen die branden met de olie van Uw wijsheid in het lampenglas van Uw leiding, vogels van de tuin van Uw kennis die op de bovenste twijgen van Uw beschutte paradijs kwelen, en leviathanen van de oceaan van Uw genadegaven die door Uw opperste erbarmen in de onpeilbare diepten duiken.
O Heer, mijn God! Nederig zijn deze dienaren van U, verhef hen in Uw koninkrijk in den hoge; zwak, sterk hen met Uw opperste kracht; vernederd, verleen hun Uw glorie in Uw allerhoogste rijk; arm, maak hen rijk in Uw grootse gebied. Beschikt Gij dan voor hen al het goede dat Gij in Uw werelden, zichtbaar en onzichtbaar, hebt voorzien; doe hen gedijen in de wereld hier beneden, verblijd hun hart met Uw bezieling, o Heer van alle wezens! Verlicht hun hart met Uw blijde tijdingen die vanuit Uw alglorierijke staat worden verbreid, maak dat zij stevig staan in Uw allergrootste Verbond en sterk hun lendenen in Uw onveranderlijke Testament door Uw gunst en beloofde genade, o Genadige en Barmhartige! Gij zijt waarlijk de Genadige, de Almilddadige.

‘Abdu’l-Bahá

 

O Gij Verzorger! Gij hebt de zoete geur van de Heilige Geest over de vrienden in het Westen geademd en met het licht van goddelijke leiding de westelijke hemel verlicht. Gij hebt hen die ooit veraf waren nader tot Uzelf gebracht; Gij hebt vreemden in liefdevolle vrienden veranderd; Gij hebt de slapenden doen ontwaken; Gij hebt de achtelozen opmerkzaam gemaakt.
O Gij Verzorger! Sta deze nobele vrienden bij om Uw welbehagen te verwerven en laat hen mensen worden die het goed voor hebben met zowel vriend als vreemdeling. Breng hen de wereld die eeuwig voortbestaat binnen; vergun hun een deel van de hemelse genade; breng hen ertoe ware bahá’ís te zijn, oprecht tot God behorend; verlos hen van uiterlijke schijn en vestig hen hecht in de waarheid. Maak hen tekenen en symbolen van het Koninkrijk, lichtende sterren boven de horizon van dit aardse leven. Maak hen tot steun en troost voor de mensheid en dienaren van wereldvrede. Breng hen in vervoering met de wijn van Uw raad, en vergun dat zij allen het pad van Uw geboden mogen bewandelen.
O Gij Verzorger! De dierbaarste wens van deze dienaar aan Uw drempel is de vrienden van Oost en West innig omarmd te zien, om alle leden van de samenleving liefdevol bijeengebracht te zien in één groots gezelschap, gelijk afzonderlijke waterdruppels samengevoegd in één machtige zee, hen allen te aanschouwen als vogels in één rozentuin, als parelen in één oceaan, als bladeren van één boom, als stralen van één zon.
Gij zijt de Machtige, de Krachtige, en Gij zijt de God van sterkte, de Almachtige, de Alziende.

‘Abdu’l-Bahá

Ga naar: Overzicht Gebeden