Hulp en bijstand

O Gij, Wiens gelaat het voorwerp is van mijn aanbidding, Wiens schoonheid mijn heiligdom, Wiens woning mijn doel, Wiens lof mijn hoop, Wiens voorzienigheid mijn metgezel, Wiens liefde de reden van mijn bestaan, Wiens noemen mijn troost, Wiens nabijheid mijn verlangen, Wiens tegenwoordigheid mijn dierbaarste wens en hoogste streven is, ik smeek U mij niet te onthouden hetgeen Gij voor de uitverkorenen onder Uw dienaren hebt bestemd. Verleen mij dan het goede van deze wereld en van de volgende.
Gij zijt waarlijk de Koning van alle mensen. Er is geen God dan Gij, de Immervergevende, de Grootmoedigste.

Bahá’u’lláh

Mijn God, mijn Aanbedene, mijn Koning, mijn verlangen! Welke tong kan mijn dank aan U uiten? Ik was achteloos, Gij deed mij ontwaken. Ik had mij van U afgekeerd, Gij hebt mij genadiglijk geholpen mij tot U te keren. Ik was als een dode, Gij hebt mij verkwikt met het water des levens. Ik was verdord, Gij deed mij herleven door de hemelse stroom van Uw woorden die voortvloeit uit de Pen van de Albarmhartige.
O goddelijke Voorzienigheid! Alle bestaan is door Uw milddadigheid voortgebracht, ontneem het niet de wateren van Uw edelmoedigheid en houd het niet af van de oceaan van Uw genade. Ik smeek U mij altijd en onder alle omstandigheden bij te staan en te helpen, en hoop op Uw aloude gunst uit de hemel van Uw genade. Gij zijt, in waarheid, de Heer van milddadigheid en de Heerser van het koninkrijk van eeuwigheid.

Bahá’u’lláh

Glorie zij U, o mijn God! De eerste tekenen van de lente van Uw genade zijn verschenen en hebben Uw aarde met pril groen bedekt. De wolken van de hemel van Uw milddadigheid hebben hun regen uitgestort over deze stad, binnen wier muren Hij die ernaar verlangt Uw schepselen te redden gevangen gehouden wordt. Daardoor is de grond van deze stad met bloemen bedekt, zijn haar bomen met gebladerte bekleed en haar inwoners verblijd.
Het hart van Uw geliefden kan zich echter slechts verheugen in de goddelijke lentetijd van Uw tedere barmhartigheid, die het hart nieuw leven schenkt, de ziel vernieuwt en de boom van ‘s mensen bestaan vrucht doet dragen.
O mijn Heer, de plant die in het hart van Uw geliefden was ontsproten is verkwijnd. Zend vanuit de wolken van Uw geest datgene op hen neer wat het tere kruid van Uw kennis en wijsheid in hun boezem zal doen gedijen. Verblijd dan hun hart met het verkondigen van Uw Zaak en het verheerlijken van Uw oppermacht.
O mijn Heer, hun ogen zijn vol verwachting op Uw milddadigheid gericht en hun gelaat is naar de horizon van Uw genade gewend. Laat hen, door Uw genade, niet van Uw gunst verstoken zijn. Door Uw soevereine kracht zijt Gij machtig over alle dingen. Geen God is er dan Gij, de Almachtige, de Hulp in gevaar, de Bij-zich-bestaande.

Bahá’u’lláh

Zeg: Ere zij U die alle heiligen hun hulpeloosheid deed bekennen tegenover de menigvuldige openbaringen van Uw macht, en iedere Profeet zijn nietigheid deed erkennen bij de glans van Uw blijvende heerlijkheid. Ik smeek U, bij Uw Naam die de hemelpoorten heeft ontsloten en de Schare in den hoge met verrukking heeft vervuld, mij in staat te stellen U te dienen in deze Dag en mij te sterken om hetgeen Gij in Uw Boek hebt voorgeschreven na te komen. Gij weet, o mijn Heer, wat in mij is, doch ik weet niet wat in U is. Gij zijt de Alwetende, de Welingelichte.

Bahá’u’lláh

Geloofd zij Uw Naam, o Heer onze God! Gij zijt waarlijk de Kenner van het ongeziene. Beschik voor ons het goede naar de maat van Uw alomvattende kennis. Gij zijt de soevereine Heer, de Almachtige, de Meestgeliefde.
Alle lof zij U, o Heer! Op de aangewezen dag zullen wij Uw gunst zoeken en ons volle vertrouwen stellen in U die onze Heer zijt. Verheerlijkt zijt Gij, o God! Verleen ons wat goed en betamelijk is, opdat wij niets buiten U van node zullen hebben. Waarlijk, Gij zijt de Heer aller werelden.
O God! Beloon hen die in Uw dagen geduldig hun lot dragen en sterk hun hart om zonder afwijken het pad van Waarheid te bewandelen. Verleen dan, o Heer, de goede gaven waardoor zij toegang tot Uw heerlijke Paradijs verkrijgen. Verheven zijt Gij, o Here God. Laat Uw hemelse zegeningen neerdalen op die huizen waarvan de bewoners in U geloven. Waarlijk, Gij zijt onovertroffen in het neerzenden van goddelijke zegeningen. Zend, o God, die legers uit die Uw getrouwe dienaren de overwinning zullen brengen. Gij vormt het geschapene door de kracht van Uw bevel naar Uw behagen. Gij zijt in waarheid de Heerser, de Schepper, de Alwijze.
Zeg: God is waarlijk de Maker aller dingen. Hij geeft overvloedige steun aan wie Hij wil. Hij is de Schepper, de Bron van alle wezens, de Vormer, de Almachtige, de Maker, de Alwijze. Hij is de Drager van de uitmuntendste titels in de hemelen, op aarde en in al wat daartussen is. Allen handelen naar Zijn gebod en alle bewoners van hemel en aarde verkondigen Zijn lof, en tot Hem zullen allen wederkeren.

De Báb

O mijn God, mijn Heer en mijn Meester! Ik heb mij losgemaakt van mijn verwanten en heb getracht door U onafhankelijk te worden van allen die op aarde verblijven en altijd bereid te zijn datgene te ontvangen wat prijzenswaardig is in Uw ogen. Schenk mij hetgeen mij onafhankelijk zal maken van alles buiten U en verleen mij een groter deel van Uw grenzeloze gunsten. Waarlijk, Gij zijt de God van overvloedige genade.

De Báb

Heer! Erbarmelijk zijn wij, verleen ons Uw gunst; arm zijn wij, schenk ons een deel uit de oceaan van Uw rijkdom; behoeftig zijn wij, voldoe aan onze noden; vernederd zijn wij, geef ons Uw heerlijkheid. De vogels in de lucht en de dieren op het veld ontvangen iedere dag van U hun voedsel en alle schepselen ondervinden Uw zorg en goedertierenheid.
Onthoud deze zwakke Uw wondere genade niet en schenk door Uw macht deze hulpeloze ziel Uw weldaden.
Geef ons ons dagelijks brood en voorzie steeds meer in onze levensbehoeften, opdat wij van niemand anders dan U afhankelijk zijn, volkomen in U opgaan, Uw wegen bewandelen en Uw geheimen bekendmaken. Gij zijt de Almachtige en de Liefderijke en de Verzorger van de gehele mensheid.

‘Abdu’l-Bahá

O Gij vriendelijk Heer! Wij zijn dienaren van Uw drempel en zoeken beschutting aan Uw heilige deur. Wij zoeken geen andere bescherming dan deze steunpilaar, en wenden ons slechts tot Uw hoede voor veiligheid. Bescherm ons, zegen ons, schraag ons, maak dat wij niets dan Uw welbehagen liefhebben, slechts Uw lof zingen en de weg van waarheid volgen, dat wij zo rijk mogen worden dat wij niemand buiten U van node hebben en onze gaven uit de zee van Uw weldadigheid kunnen ontvangen, en er voortdurend naar mogen streven om Uw Zaak te verheffen en Uw lieflijke geuren wijd en zijd te verspreiden, dat wij onszelf geheel mogen vergeten en ons uitsluitend bezighouden met U, al het andere verwerpen en in U opgaan.
O Gij Verzorger, o Gij Vergevende! Verleen ons Uw genade en goedertierenheid, Uw giften en Uw gaven, en steun ons, dat wij ons doel mogen bereiken. Gij zijt de Machtige, de Bekwame, de Wetende, de Ziende; en waarlijk, Gij zijt de Grootmoedige, en waarlijk, Gij zijt de Albarmhartige, en waarlijk, Gij zijt de Immervergevende, Hij aan wie berouw verschuldigd is, Hij die zelfs de zwaarste zonden vergeeft.

‘Abdu’l-Bahá

Neem, o Heer, de feestdis niet weg die in Uw Naam is gespreid en doof niet de brandende vlam die door Uw onblusbaar vuur is ontstoken. Stuit niet het stromen van Uw levend water dat voortkabbelt met de melodie van Uw heerlijkheid en Uw gedachtenis, en onthoud Uw dienaren niet de welriekendheid van Uw zoete geuren die het parfum van Uw liefde verspreiden.
Heer! Verander de kwellende zorgen van Uw heiligen in rust, hun tegenspoed in voorspoed, hun vernedering in heerlijkheid, hun verdriet in zalige vreugde, o Gij die de teugels van de gehele mensheid in Uw greep houdt!
Gij zijt waarlijk de Ene, de Enige, de Machtige, de Alwetende, de Alwijze.

‘Abdu’l-Bahá

Ga naar: Overzicht Gebeden