Huwelijk

“Het bahá’í-huwelijk is de verbintenis en hartelijke genegenheid tussen twee partijen. Zij moeten echter uiterst zorgvuldig zijn en elkanders karakter leren kennen. Deze eeuwige verbintenis moet geborgd worden door een hecht verbond en moet erop gericht zijn harmonie, kameraadschap en eenheid aan te kweken en eeuwig leven te bereiken.”

‘Abdu’l-Bahá

De huwelijksgelofte, het vers dat zowel door de bruid als de bruidegom gezegd moet worden in aanwezigheid van ten minste twee getuigen die voor de Geestelijke Raad aanvaardbaar zijn, luidt, zoals in De Kitáb-i-Aqdas (Het Heiligste Boek) bepaald is:

“Wij zullen waarlijk allen verblijven bij de wil van God.”

*

Hij is de Schenker, de Almilddadige!
Ere zij God, de Aloude, de Eeuwigdurende, de Onveranderlijke, de Eeuwige! Hij die in Zijn eigen wezen betuigt dat Hij waarlijk de Ene, de Enige, de Onbelemmerde, de Verhevene is. Wij getuigen dat er waarlijk geen God is dan Hij, erkennen Zijn één-zijn en belijden Zijn enig-zijn. Immer verblijft Hij op onbereikbare hoogten, op de hoogste toppen van Zijn verhevenheid, geheiligd van het noemen van alles buiten Hemzelf, onafhankelijk van de beschrijving van alles buiten Hem.
Toen Hij de mensen genade en milddadigheid wenste te betonen en de wereld wenste te ordenen, openbaarde Hij verordeningen en schiep Hij wetten, waaronder de huwelijkswet, tot vesting voor welzijn en heil, en legde ons deze op in Zijn Heiligste Boek dat werd neergezonden uit de hemel van heiligheid. Hij, groot is Zijn heerlijkheid, zegt: “Treed in het huwelijk, o mensen, opdat gij iemand moogt voortbrengen die melding van Mij zal maken onder Mijn dienaren. Dit is Mijn gebod aan u; houdt u er stevig aan vast tot steun voor uzelf.”

Bahá’u’lláh

 

Hij is God!
O weergaloos Heer! In Uw almachtige wijsheid hebt Gij de volkeren het huwelijk opgelegd, opdat de generaties elkaar zullen opvolgen in deze vergankelijke wereld en de mensen zich zolang de wereld voortduurt zullen beijveren aan de drempel van Uw één-zijn met dienstbaarheid en aanbidding, met begroeting, verering en lof. “Ik heb geesten en mensen slechts geschapen opdat zij Mij zullen aanbidden.” Huwt Gij daarom deze twee vogelen uit het nest Uwer liefde in de hemel van Uw erbarmen, en laat hen het middel worden om eeuwigdurende genade aan te trekken, opdat uit de verbintenis van deze twee zeeën van liefde een golf van tederheid aanrolle die de parelen van zuiver en edel nakomelingschap op de kust des levens werpt. “Hij heeft de twee zeeën vrijgelaten, opdat zij elkaar ontmoeten. Tussen hen is een grens welke zij niet overschrijden. Welke weldaad van Uw Heer wilt gij dan loochenen? Uit elk brengt Hij grote en kleine parelen naar boven.”
O Gij, liefderijk Heer! Maakt Gij dat dit huwelijk koraal en parelen voortbrengt. Gij zijt waarlijk de Almachtige, de Grootste, de Immervergevende.

‘Abdu’l-Bahá

 

Glorie zij U, o mijn God! Waarlijk, deze dienaar en dienares van U zijn onder de schaduw van Uw barmhartigheid samengekomen en zijn door Uw gunst en edelmoedigheid met elkaar verbonden. O Heer! Sta hen bij in Uw wereld en in Uw koninkrijk en bestem voor hen al het goede door Uw milddadigheid en genade. O Heer! Versterk hen in hun dienstbaarheid en help hen U te dienen. Laat hen de tekenen worden van Uw Naam in Uw wereld en bescherm hen door Uw weldaden, die onuitputtelijk zijn in deze wereld en in de wereld die komen gaat. O Heer! Zij roepen het koninkrijk van Uw barmhartigheid aan en smeken tot het rijk van Uw enig-zijn. Waarlijk, zij zijn in de echt verbonden in gehoorzaamheid aan Uw gebod. Laat hen tot het einde der tijden de tekenen van harmonie en eenheid worden. Waarlijk, Gij zijt de Almogende, de Alomtegenwoordige en de Almachtige!

‘Abdu’l-Bahá

 

O mijn Heer, o mijn Heer! Deze twee heldere hemellichamen zijn gehuwd in liefde tot U, verbonden in dienstbaarheid aan Uw heilige drempel, verenigd in het werken voor Uw Zaak. Maakt Gij dit huwelijk tot een doordringend licht van Uw overvloedige genade, o mijn Heer, de Albarmhartige, en een lichtstraal van Uw gaven, o Gij de Weldadige, de Immergevende, dat er takken aan deze uitmuntende boom mogen ontspringen die groen worden en gaan bloeien door de gaven die uit de wolken van Uw genade neerregenen.
Waarlijk, Gij zijt de Edelmoedige. Waarlijk, Gij zijt de Almachtige. Waarlijk, Gij zijt de Meedogende, de Albarmhartige.

‘Abdu’l-Bahá

Ga naar: Overzicht Gebeden