Jongeren

O Gij vriendelijk Heer! Van de horizon van onthechting hebt Gij zielen doen voortkomen die, als de lichtende maan, hun glans hebben verspreid over het rijk van hart en ziel, zich van de eigenschappen van de wereld van het bestaan hebben ontdaan en zich naar het koninkrijk van onsterfelijkheid hebben gespoed. Met een druppel uit de oceaan van Uw goedertierenheid hebt Gij de tuin van hun hart menigmaal bevochtigd, tot die weergaloos fris en prachtig werd. De heilige geur van Uw goddelijke eenheid werd wijd en zijd verbreid, waarbij haar zoete geuren over de gehele wereld werden uitgestort, en alle gebieden op aarde met parfum doordrenkt raakten.
O geest van Zuiverheid, laat dan zielen opstaan die, zoals deze geheiligde wezens, vrij en zuiver worden, de bestaanswereld met een nieuw gewaad en een wonderschoon kleed tooien, niemand buiten U zoeken, slechts het pad van Uw welbehagen begaan en slechts van de mysteriën van Uw Zaak spreken.
O Gij vriendelijk Heer! Vergun dat deze jongere mag bereiken wat het hoogste verlangen van de heiligen is. Begiftig hem met de vleugels van Uw sterkende genade –vleugels van onthechting en goddelijke bijstand– opdat hij daarmee zijn vlucht mag nemen tot de sferen van Uw tedere barmhartigheid, zal delen in Uw hemelse gaven en een teken van goddelijke leiding en een banier van de Scharen in den hoge mag worden. Gij zijt de Machtige, de Krachtige, de Ziende, de Horende.

‘Abdu’l-Bahá

O Gij vriendelijk Heer! Schenk ieder van deze jonge vogels genadiglijk hemelse vleugels en geef hun geestelijke kracht, zodat zij hun vlucht nemen in deze oneindige ruimte en opwieken naar de hoogten van het Abhá-Koninkrijk.
O Heer! Sterk deze tere zaailingen opdat elk een vruchtdragende boom wordt, groen en bloeiend. Schenk deze zielen de overwinning door de macht van Uw hemelse scharen, opdat zij de krachten van dwaling en onwetendheid kunnen vernietigen en de banier van kameraadschap en leiding onder de mensen kunnen ontplooien; dat zij als een vernieuwende lentebries de boom van de menselijke ziel mogen verfrissen en doen herleven, en gelijk lenteregens de weiden aldaar groen en vruchtbaar maken.
Gij zijt de Machtige en de Krachtige; Gij zijt de Schenker en de Liefderijke.

‘Abdu’l-Bahá

O Gij vriendelijk Heer! Schenk deze dochter van het koninkrijk hemelse gaven en help haar genadiglijk standvastig en sterk te blijven in Uw Zaak, opdat zij, gelijk een nachtegaal in de rozentuin van mysteriën, wonderschone melodieën mag zingen in het Abhá- koninkrijk en zo iedereen vreugde mag brengen. Verhef haar onder de dochters van het koninkrijk en laat haar eeuwig leven verwerven.
Gij zijt de Schenker, de Liefderijke.

‘Abdu’l-Bahá

O Heer! Laat deze jongere stralen en verleen dit arme schepsel Uw milddadigheid. Schenk hem kennis, doe zijn krachten toenemen bij het aanbreken van iedere nieuwe dag en neem hem in bescherming en waak over hem, dat hij verlost moge worden van dwaling, zich moge wijden aan het dienen van Uw Zaak, de eigenzinnigen tot gids moge zijn, de ongelukkigen leiden, de gevangenen bevrijden en de achtelozen wekken, opdat allen gezegend mogen worden met het U loven en gedenken. Gij zijt de Machtige en de Krachtige.

‘Abdu’l-Bahá

Lof en eer zij U, o Heer mijn God! Dit is een uitverkoren jong boompje dat Gij in de weiden van Uw liefde hebt geplant en met de vingers van Uw Heerschappij hebt gevoed. Gij hebt het water gegeven uit de bron van eeuwig leven die opwelt in de tuinen van Uw één- zijn, en Gij hebt de wolken van Uw tedere barmhartigheid Uw gunsten erop doen neerregenen. Het is nu volgroeid en volledig tot ontwikkeling gekomen onder de beschutting van Uw zegeningen die zichtbaar zijn in de Morgenstond van Uw goddelijk wezen. Het is uitgebarsten in bladeren en bloesems, beladen met vruchten door de voorzienigheid van Uw wondere gaven en genadegiften, en het beweegt in de lieflijke bries die vanuit Uw goedertierenheid waait.
O Heer! Laat deze jonge boom groen en fris worden en gedijen door de uitstortingen van Uw bijzondere milddadigheid en gunst, waarmee Gij de heilige tabernakelen van Uw eeuwig koninkrijk hebt gesierd en de essenties van eenheid in de arena van hereniging hebt getooid.
O Heer! Help hem met Uw sterkende genade die uit Uw onzichtbaar Koninkrijk voortstroomt, en sta hem bij met de scharen die voor de ogen van Uw dienaren verborgen zijn, en geef hem vaste voet in Uw tegenwoordigheid. Maak zijn tong los om U te noemen en verblijd zijn hart zodat hij Uw lof bezingt. Verlicht zijn gelaat in Uw Koninkrijk, begunstig hem in het hemelse rijk en bevestig hem genadiglijk in dienstbaarheid aan Uw Zaak.
Gij zijt de Almogende, de Alglorierijke, de Almachtige.

‘Abdu’l-Bahá

Ga naar: Overzicht Gebeden