Kinderen

O Heer mijn God! Dit is een kind dat is voortgekomen uit de lendenen van een van Uw dienaren die Gij een onderscheiden staat hebt verleend in de Tafelen van Uw onherroepelijke bevel in de boeken van Uw beschikking.
Ik smeek U bij Uw Naam, waardoor eenieder in staat is gesteld het doel van zijn verlangen te bereiken, te geven dat dit kind een volwassen ziel onder Uw dienaren mag worden; laat hem stralen door de kracht van Uw Naam, laat hem Uw lof verkondigen, zijn gelaat tot U keren en nader tot U komen. Waarlijk, Gij hebt al sinds het begin der tijden het vermogen te doen naar Uw wil en Gij zult tot in de eeuwigheid in staat zijn te doen naar Uw behagen. Er is geen ander God dan Gij, de Verhevene, de Doorluchtige, de Onderwerper, de Machtige, de Algebiedende.

Bahá'u'lláh

O God! Voed deze kinderen op. Deze kinderen zijn de planten van Uw boomgaard, de bloemen van Uw weide, de rozen van Uw tuin. Laat Uw regen op hen vallen en laat de Zon van Werkelijkheid op hen schijnen met Uw liefde. Laat Uw bries hen verfrissen, opdat zij worden opgeleid, groeien, tot ontwikkeling komen en zich in volkomen schoonheid ontplooien. Gij zijt de Schenker. Gij zijt de Meedogende.

‘Abdu’l-Bahá

O Gij vriendelijk Heer! Deze liefelijke kinderen zijn het werk van de vingers van Uw macht en de wondere tekenen van Uw grootheid. O God! Bescherm deze kinderen, help hen door Uw genade om opgeleid te worden en stel hen in staat dienstbaar te zijn aan de mensheid. O God! Deze kinderen zijn parelen, laat hen gekoesterd worden in de schelp van Uw goedertierenheid.
Gij zijt de Genadige, de Liefderijke.

‘Abdu’l-Bahá

O Heer! Maak deze kinderen tot voortreffelijke planten. Laat hen groeien en zich ontwikkelen in de Tuin van Uw Verbond en maak hen fris en mooi door de uitstortingen vanuit de wolken van het Alglorierijke Koninkrijk.
O Gij vriendelijk Heer! Ik ben een klein kind, verhef mij door mij tot het koninkrijk toe te laten. Ik ben aards, maak mij hemels; ik ben van de wereld hier beneden, laat mij tot het hemelse rijk behoren; somber, laat mij stralen; stoffelijk, maak mij geestelijk, en geef dat ik Uw oneindige gaven ten toon mag spreiden.
Gij zijt de Krachtige, de Liefderijke.

‘Abdu’l-Bahá

Hij is God! O God, mijn God! Schenk mij een zuiver hart, net als een parel.

‘Abdu’l-Bahá

O God, leid mij, bescherm mij, maak mij een stralende lamp en een schitterende ster.
Gij zijt de Machtige en de Krachtige.

‘Abdu’l-Bahá

O mijn Heer! O mijn Heer!
Ik ben een jong kind. Voed mij aan de borst van Uw genade, breng mij groot aan de boezem van Uw liefde, onderwijs mij in de school van Uw leiding en ontwikkel mij onder de beschutting van Uw milddadigheid. Verlos mij van het donker, maak mij een schitterend licht; bevrijd mij van verdriet, maak mij een bloem in de rozengaard; laat mij een dienaar worden aan Uw drempel en verleen mij het karakter en de aard van de rechtschapenen; maak mij een bron van goedheid voor de mensen en kroon mijn hoofd met het diadeem van eeuwig leven.
Waarlijk, Gij zijt de Krachtige, de Machtige, de Ziende, de Horende.

‘Abdu’l-Bahá

O Weergaloos Heer! Weest Gij een schuilplaats voor dit arme kind en een vriendelijke en vergevingsgezinde Meester voor deze dwalende en ongelukkige ziel. O Heer! Hoewel wij slechts nietswaardige planten zijn, behoren wij toch tot Uw rozengaard. Hoewel wij jonge boompjes zonder blad of bloesem zijn, maken wij toch deel uit van Uw boomgaard. Voed deze plant dan met de uitstortingen uit de wolken van Uw tedere genade en verfris en sterk deze jonge boom door de levengevende adem van Uw geestelijke lente. Laat hem oplettend, scherpzinnig en edel te worden, en geef dat hij het eeuwige leven mag verkrijgen en voor immer in Uw Koninkrijk mag verblijven.

‘Abdu’l-Bahá

O mijn God! O mijn God! Gij ziet deze kinderen die de twijgen van de boom des levens zijn, de vogels van de weiden van verlossing, de parelen in de oceaan van Uw genade, de rozen in de tuin van Uw leiding.
O God, onze Heer! Wij zingen Uw lof, getuigen van Uw heiligheid en smeken de hemel van Uw genade vurig om ons tot lichten van leiding te maken, sterren die te midden van de mensheid boven de horizon van eeuwige glorie schijnen, en ons de kennis die uit U voortkomt te onderwijzen.
Yá Bahá’u’l-Abhá!

‘Abdu’l-Bahá

O Heer! Ik ben een kind, laat mij groeien in de schaduw van Uw goedertierenheid. Ik ben een teer plantje, voed mij met de regen uit de wolken van Uw milddadigheid. Ik ben een jong boompje in de tuin van liefde, laat mij een vruchtdragende boom worden.
Gij zijt de Machtige en de Krachtige, en Gij zijt de Liefderijke, de Alwetende, de Alziende.

‘Abdu’l-Bahá

O Gij glorierijkste Heer! Maak deze kleine dienares van U gezegend en gelukkig. Koester haar aan de drempel van Uw één-zijn en laat haar met volle teugen drinken uit de beker van Uw liefde, opdat zij vervuld mag worden van verrukking en vervoering, en zoete geuren mag verspreiden. Gij zijt de Machtige en de Krachtige, en Gij zijt de Alwetende, de Alziende.

‘Abdu’l-Bahá

Zuigelingen

Geprezen zijt Gij, o Heer mijn God! Sta genadiglijk toe dat dit kindje gevoed wordt aan de borst van Uw tedere genade en liefdevolle voorzienigheid, en gevoed wordt met de vruchten van Uw hemelse bomen. Laat hem niet aan de zorg van iemand anders dan Uzelf worden toevertrouwd, aangezien Gij hem Zelf door de kracht van Uw soevereine wil hebt geschapen en tot leven hebt geroepen. Er is geen ander God dan Gij, de Almachtige, de Alwetende.
Geloofd zijt Gij, o mijn Meestgeliefde, doe de zoete smaak van Uw alovertreffende vrijgevigheid en de geuren van Uw heilige gaven over hem zweven. Stel hem dan in staat beschutting te zoeken in de schaduw van Uw verhevenste Naam, o Gij die het koninkrijk van namen en eigenschappen in Zijn greep houdt. Waarlijk, Gij zijt machtig te doen hetgeen Gij wilt, en Gij zijt waarlijk de Machtige, de Verhevene, de Immervergevende, de Genadige, de Grootmoedige, de Barmhartige.

Bahá’u’lláh

O Gij weergaloos Heer! Laat deze zuigeling drinken aan de borst van Uw goedertierenheid, bescherm hem in de wieg van Uw geborgenheid en bescherming, en geef dat hij wordt grootgebracht in de armen van Uw tedere genegenheid.

‘Abdu’l-Bahá

O God! Breng dit kindje groot aan de boezem van Uw liefde en laaf het aan de borst van Uw voorzienigheid. Verzorg dit jonge plantje in de rozengaard van Uw liefde en help het te groeien door de regen van Uw milddadigheid. Maak het een kind van het Koninkrijk en leid het tot Uw goddelijke wereld. Gij zijt machtig en vriendelijk, en Gij zijt de Schenker, de Vrijgevige, de Heer van allesovertreffende gaven.

‘Abdu’l-Bahá

Ga naar: Overzicht Gebeden