Lof en dankbaarheid

Alle lof, o mijn God, zij U die de bron zijt van alle glorie en majesteit, van grootheid en eer, van soevereiniteit en heerschappij, van verhevenheid en genade, van ontzag en macht. Al wie Gij wilt doet Gij de Allergrootste Oceaan naderen, en al wie Gij verkiest verleent Gij de eer Uw Aloude Naam te erkennen. Van allen die in de hemel en op aarde zijn kan niemand de werking van Uw soevereine wil weerstaan. In alle eeuwigheid heerste Gij over de gehele schepping en Gij zult voor immer voortgaan Uw heerschappij over al het geschapene uit te oefenen. Er is geen ander God dan Gij, de Almachtige, de Verhevenste, de Almogende, de Alwijze.
Verlicht, o Heer, het gelaat van Uw dienaren, opdat zij U kunnen aanschouwen, zuiver hun hart, opdat zij zich tot het hof van Uw hemelse gunsten kunnen wenden en Hem erkennen die de manifestatie is van Uzelf en de dageraad van Uw Essentie. Waarlijk, Gij zijt de Heer aller werelden. Er is geen God dan Gij, de Onbeperkte, de Albeheerser.

Bahá’u’lláh

 

In Naam van God, de Allerhoogste! Geprezen en verheerlijkt zijt Gij, Heer, Almachtig God! Gij, voor Wiens wijsheid de wijze tekort schiet en faalt, voor Wiens kennis de geleerde zijn onwetendheid bekent, voor Wiens macht de sterke zwak wordt, voor Wiens rijkdom de rijke zijn armoede betuigt, voor Wiens licht de verlichte in duisternis dwaalt, naar de tempel van Wiens kennis de kern van alle begrip zich keert en rondom het heiligdom van Wiens tegenwoordigheid de zielen van de gehele mensheid cirkelen.
Hoe kan ik dan zingen en vertellen van Uw Essentie, die door de wijsheid der wijzen en de kennis der geleerden niet is begrepen, daar toch geen mens kan bezingen wat hij niet bevat, noch kan verhalen van wat hij niet kan bereiken, terwijl Gij toch sedert het begin der tijden de Ontoegankelijke, de Ondoorgrondelijke waart? Machteloos als ik ben om tot de hemelen van Uw heerlijkheid te stijgen en mij tot de rijken van Uw kennis te verheffen, kan ik slechts verhalen van Uw tekenen die van het heerlijke werk Uwer handen getuigen.
Bij Uw Heerlijkheid! O Gij, Geliefde aller harten, de Enige die de pijn van verlangen naar U kan stillen! Al zouden alle bewoners van hemel en aarde zich verenigen om het kleinste Uwer tekenen waarin en waardoor Gij Uzelf hebt geopenbaard te verheerlijken, toch zouden zij falen; hoeveel te meer wanneer zij Uw heilig Woord, de schepper van al Uw tekenen, zouden willen prijzen.
Alle lof en heerlijkheid zij U, Gij van wie alle dingen getuigen dat Gij één zijt en dat er geen ander God is dan Gij, die sedert het begin der tijden verheven waart boven alle weerga of gelijkenis en zulks voor eeuwig zult blijven. Alle koningen zijn slechts Uw dienaren en alle wezens, zichtbaar en onzichtbaar, zijn als niets voor U. Er is geen ander God dan Gij, de Genadige, de Krachtige, de Hoogste.

Bahá’u’lláh

 

Verheerlijkt zij Uw Naam, o Heer mijn God! Gij zijt Degeen die door alle dingen wordt aanbeden en die Zelf niemand aanbidt, die de Heer is van alle dingen en niemands vazal, die alle dingen kent en door niemand wordt gekend. Gij wenste Uzelf aan de mensen kenbaar te maken; daarom deed Gij, door één woord uit Uw mond, de schepping ontstaan en vormde Gij het heelal. Er is geen ander God dan Gij, de Vormer, de Schepper, de Almachtige, de Krachtigste.
Ik smeek U, bij dit woord dat boven de horizon van Uw wil helder schijnt, mij met diepe teugen te laten drinken van de levende wateren waarmee Gij het hart van Uw uitverkorenen hebt doen herleven en de ziel van hen die U beminnen hebt verkwikt, dat ik mijn gelaat altijd en onder alle omstandigheden geheel tot U mag keren.
Gij zijt de God van kracht, van glorie en milddadigheid. Geen God is er buiten U, de Allerhoogste Heerser, de Alglorierijke, de Alwetende.

Bahá’u’lláh

 

Glorie zij U, o Heer mijn God! Ik dank U dat Gij mij in staat hebt gesteld de manifestatie van Uzelf te erkennen, en mij van Uw vijanden hebt gescheiden, en hun wandaden en verdorven werken in Uw dagen voor mij hebt blootgelegd, en mij hebt bevrijd van alle gehechtheid aan hen, en mij me geheel deed keren naar Uw genade en milddadige gaven. Ik dank U eveneens dat Gij vanuit de wolken van Uw wil tot mij hebt neergezonden hetgeen mij zo geheiligd heeft van de toespelingen van de ongelovigen en de zinspelingen van de misleiders, dat ik mijn hart stevig op U heb gericht en ben weggevlucht van hen die het licht van Uw gelaat ontkend hebben. Wederom dank ik U dat Gij mij gesterkt hebt in mijn trouw aan Uw liefde, en het bezingen van Uw lof en het verheerlijken van Uw deugden, en dat Gij mij te drinken hebt gegeven uit de kelk van Uw barmhartigheid die alle dingen, zichtbaar en onzichtbaar, te boven gaat.
Gij zijt de Almachtige, de Verhevenste, de Alglorierijke, de Liefderijke.

Bahá’u’lláh

 

Geprezen zijt Gij, o Heer mijn God! Immer wanneer ik poog U te noemen, word ik daarin belemmerd door de verhevenheid van Uw staat en de overweldigende grootheid van Uw macht. Want al zou ik U prijzen gedurende geheel Uw heerschappij en zolang Uw soevereiniteit voortduurt, dan nog zou ik bemerken dat mijn lof voor U slechts passend is voor hen die mij gelijk zijn, die zelf Uw schepselen zijn, door de kracht van Uw gebod werden gevormd en door de macht van Uw wil werden geschapen. En steeds wanneer mijn pen eer betuigt aan welke Uwer namen ook, is het of ik haar stem kan horen weeklagen vanwege het veraf zijn van U, en haar kreten kan herkennen vanwege het van U gescheiden zijn. Ik betuig dat alles buiten U slechts Uw schepping is en zich in de holte van Uw hand bevindt. Het aanvaarden van enige daad of lof van Uw schepselen is slechts een bewijs van Uw wondere genade en overvloedige gunsten, en een blijk van Uw edelmoedigheid en voorzienigheid.
Ik smeek U, o mijn Heer, bij Uw allergrootste Naam waardoor Gij licht van vuur en waarheid van verloochening hebt gescheiden, om tot mij en mijn geliefden die met mij zijn het goede van deze wereld en van de volgende neer te zenden. Voorzie ons dan van Uw wondere gaven die verborgen zijn voor de ogen der mensen. Gij zijt waarlijk de Vormer van de gehele schepping. Geen God is er dan Gij, de Almachtige, de Alglorierijke, de Allerhoogste.

Bahá’u’lláh

 

O Gij, Wien te gedenken de zielsverrukking is van allen die naar U hunkeren, Wiens naam de jubelende vreugde is van allen die zich geheel aan Uw wil wijden, Wiens eer en lof wordt gekoesterd door hen die Uw hof nabij zijn, Wiens gelaat het vurige verlangen is van allen die Uw waarheid erkennen, Wiens beproeving de genezing is van hen die Uw Zaak omhelzen, Wiens bezoeking het hoogste verlangen is van hen die bevrijd zijn van alle gehechtheid aan eenieder buiten U!
Verheerlijkt, onmetelijk verheerlijkt zijt Gij, in Wiens hand de heerschappij ligt over al hetgeen in de hemelen en op aarde is. Gij die door een enkel woord uit Uw mond alle dingen hebt doen vergaan en uiteenvallen en die, door weer een ander woord, al wat gescheiden was hebt samengevoegd en herenigd! Verheerlijkt zij Uw Naam, o Gij die macht hebt over allen die in de hemelen en allen die op aarde zijn, Wiens heerschappij alles omvat wat in de hemel van Uw Openbaring en in het koninkrijk van Uw schepping bestaat. Niemand kan U evenaren in de door U geschapen rijken; niemand kan zich in het heelal dat Gij hebt gevormd met U meten. Geen enkel verstand heeft U begrepen en geen enkel menselijk streven heeft U bereikt. Ik zweer bij Uw macht! Zou iemand al die tijd dat Uw eigen Wezen voortduurt op welke wieken ook door de onmetelijkheid van Uw kennis zweven, dan nog was hij niet bij machte de beperkingen die de vergankelijke wereld hem stelt te overstijgen. Hoe kan dan zulk een mens zijn vlucht pogen te nemen naar de sferen van Uw verhevenste tegenwoordigheid?
Hij die zijn machteloosheid erkent en zijn zonden belijdt is waarlijk met inzicht begiftigd, want mocht enig schepsel, wanneer hij voor de oneindige wonderen van Uw Openbaring staat, aanspraak maken op enig bestaan, dan was een dergelijke godslasterlijke aanmatiging gruwelijker dan enige andere misdaad in alle gebieden van de door U vormgegeven schepping. Wie is er, o mijn Heer, die, wanneer Gij de eerste schittering van de tekenen van Uw alles te boven gaande soevereiniteit en macht openbaart, de kracht heeft voor zichzelf enige vorm van bestaan op te eisen? Het bestaan zelf is als niets tegenover de machtige en menigvuldige wonderen van Uw onvergelijkelijk Wezen.
Ver, onmetelijk ver zijt Gij verheven boven alle dingen, o Gij die de Koning der koningen zijt! Ik smeek U, bij Uzelf en bij Hen die de Manifestaties van Uw Zaak en het ochtendgloren van Uw gezag zijn, voor ons neer te schrijven hetgeen Gij voor Uw uitverkorenen hebt neergeschreven. Onthoud ons niet hetgeen Gij hebt beschikt voor Uw geliefden, die zich zodra Uw roep hen bereikte tot U hebben gehaast, en die zich toen de luister van het licht van Uw gelaat over hen werd uitgestort onmiddellijk in aanbidding hebben neergeworpen voor Uw aangezicht.
Wij zijn Uw dienaren, o mijn Heer, in de greep van Uw macht. Indien Gij ons kastijdt met de kastijding toegebracht aan vroegere en latere geslachten, dan is Uw vonnis voorzeker rechtvaardig en Uw daad prijzenswaardig. Machtig zijt Gij te doen naar Uw behagen. Er is geen ander God dan Gij, de Almachtige, de Alglorierijke, de Helper in nood, de Bij-zich-bestaande.

Bahá’u’lláh

 

Lof zij U, o mijn God, daar Gij het gelaat van Uw dienaren naar de rechterzijde van de troon van Uw gaven hebt gekeerd en hen onthecht deed zijn van alles buiten U, opdat zij Uw oppermacht en Uw heerlijkheid zullen erkennen. Ik getuig van de kracht van Uw Zaak, de alles doordringende invloed van Uw gebod, de onveranderlijkheid van Uw wil, de oneindigheid van Uw bedoeling. Alle dingen liggen gevangen in de greep van Uw macht en de gehele schepping is armzalig tegenover de tekenen van Uw rijkdom.
Handel daarom, o mijn God, mijn Geliefde, mijn hoogste Verlangen, met Uw dienaren en met al het door U geschapene naar het Uw schoonheid en Uw grootheid betaamt, en Uw edelmoedigheid en gaven waardig is. Gij zijt in waarheid Degeen Wiens barmhartigheid alle werelden omvat en Wiens genade allen die in de hemel en op aarde verblijven omsluit. Wie heeft U aangeroepen zonder dat zijn gebed verhoord werd? Waar is hij die U trachtte te bereiken zonder dat Gij hem nader liet komen? Wie kan zeggen dat hij zijn blik op U vestigde en dat Gij het oog van Uw goedertierenheid niet op hem richtte? Ik getuig dat Gij U naar Uw dienaren hebt gekeerd eer zij zich naar U keerden, en dat Gij aan hen hebt gedacht eer zij aan U dachten. Alle genade is van U, o Gij in Wiens hand het rijk van goddelijke gaven en de bron van elk onherroepelijk gebod ligt.
Zend daarom, o mijn God, tot allen die U zoeken datgene neer wat hen geheel zal bevrijden van alles wat niet van U is, en hen U zal doen naderen. Sta hen met Uw genade bij om U lief te hebben en zich te voegen naar hetgeen U zal behagen. Geef dan dat zij het pad van Uw Zaak blijven volgen, het pad waarop de voeten van de weifelaars onder Uw volk en de weerspannigen onder Uw dienaren uitglijden. Gij zijt waarlijk de Almogende, de Almachtige, de Grootste.

Bahá’u’lláh

 

O Gij die de Heer der Heren zijt! Ik betuig dat Gij de Heer zijt van al het geschapene en de Opvoeder van alle wezens, zichtbaar en onzichtbaar. Ik getuig dat Uw macht het ganse universum omvat, dat aardse legerscharen U nooit kunnen ontstellen, noch dat de heerschappij van alle volkeren en naties U ervan kan weerhouden Uw plan uit te voeren. Ik belijd dat Gij geen andere wens hebt dan het vernieuwen van de gehele wereld, het vestigen van de eenheid van haar volkeren en de verlossing van allen die daar wonen.

Bahá’u’lláh

 

Alle majesteit en heerlijkheid, o mijn God, en alle heerschappij en licht en grootsheid en pracht zij U. Gij verleent soevereiniteit aan wie Gij wilt en onthoudt haar aan wie Gij wenst. Geen God is er dan Gij, de Albezitter, de Verhevenste. Gij zijt Degeen die uit het niets het universum en allen die er in verkeren hebt geschapen. Niets buiten Uzelf is U waardig en allen buiten U zijn als verworpenen in Uw heilige tegenwoordigheid en als niets naast de heerlijkheid van Uw eigen Wezen.
Verre zij het van mij Uw deugden te prijzen met iets anders dan dat waarmee Gij Uzelf hebt geprezen in Uw gezaghebbend Boek, waarin Gij zegt: “Ogen kunnen Hem niet bereiken, doch Hij bereikt alle ogen. Want Hij is de Scherpzinnige, de Alziende.” Ere zij U, o mijn God, want geen enkel verstand of inzicht, hoe scherp of oordeelkundig ook, kan ooit de aard van het onbeduidendste Uwer tekenen bevatten. Waarlijk, Gij zijt God, geen God is er buiten U. Ik getuig dat alleen Gijzelf de enige uitdrukking zijt van Uw eigenschappen, dat de lof van niemand buiten U ooit Uw heilige hof kan bereiken noch Uw eigenschappen ooit door iemand buiten Uzelf kunnen worden doorgrond.
Ere zij U, Gij zijt verheven boven de beschrijving van eenieder buiten Uzelf, daar het buiten het menselijk bevattingsvermogen ligt Uw eigenschappen passend te verheerlijken of de innerlijke werkelijkheid van Uw Essentie te begrijpen. Verre zij het van Uw heerlijkheid dat Uw schepselen U zouden beschrijven of dat iemand buiten Uzelf U ooit zou kennen. Ik ken U, o mijn God, omdat Gij Uzelf aan mij kenbaar hebt gemaakt, want als Gij U niet aan mij had geopenbaard dan zou ik U niet gekend hebben. Ik aanbid U, omdat Gij mij tot U geroepen hebt, want ware het niet vanwege Uw oproep dan zou ik U niet aanbeden hebben.

De Báb

 

Verheerlijkt zij Uw Naam, o Heer! Tot wie zal ik mijn toevlucht nemen terwijl Gij in waarheid mijn God en mijn beminde zijt; bij wie zal ik beschutting zoeken terwijl Gij mijn Heer en mijn bezitter zijt; naar wie zal ik vluchten terwijl Gij in waarheid mijn meester en mijn toevluchtsoord zijt; tot wie zal ik smeken terwijl Gij in waarheid mijn schat en het doel van mijn verlangen zijt; en door wie zal ik bij U pleiten terwijl Gij in waarheid mijn hoogste streven en grootste verlangen zijt? Alle hoop is weggevaagd, slechts het verlangen naar Uw hemelse genade blijft bestaan, en iedere deur is vergrendeld behalve de poort die leidt naar de bron van Uw zegeningen.
Ik smeek U, o mijn Heer, bij Uw luisterrijkste glans, die zo helder is dat iedere ziel zich er nederig bij neerbuigt en zich om Uwentwille in aanbidding ter aarde werpt – een glans zo stralend dat vuur in licht verandert, de doden tot leven komen en iedere last in gemak verandert. Ik smeek U bij deze geweldige, deze wonderbaarlijke glans en bij de heerlijkheid van Uw verheven soevereiniteit, o Gij die de Heer van onbedwingbare macht zijt, ons door Uw milddadigheid om te vormen tot datgene wat Gij Zelf bezit, ons een bron van Uw licht te laten worden en ons genadiglijk datgene te verlenen wat de majesteit van Uw alles te boven gaande heerschappij past. Want naar U heb ik mijn handen geheven, o Heer, en bij U heb ik beschuttende steun gevonden, o Heer, en aan U heb ik mij overgegeven, o Heer, en in U heb ik al mijn vertrouwen gesteld, o Heer, en door U ben ik gesterkt, o Heer.
Waarlijk, er is geen macht of kracht dan in U.

De Báb

 

Ik smeek U bij de glans van het licht van Uw heerlijk gelaat, bij de majesteit van Uw aloude grootheid en bij de macht van Uw alles te boven gaande soevereiniteit, op dit ogenblik al wat goed en gepast is voor ons te beschikken en al Uw genadegiften voor ons te bestemmen. Het schenken van gaven levert U immers geen verlies op, noch vermindert het verlenen van gunsten Uw rijkdom.
Verheerlijkt zijt Gij, o Heer! Waarlijk ik ben arm, terwijl Gij in waarheid rijk zijt; waarlijk ik ben nederig, terwijl Gij in waarheid machtig zijt; waarlijk ik ben krachteloos, terwijl Gij in waarheid krachtig zijt; waarlijk ik ben vernederd, terwijl Gij in waarheid de verhevenste zijt; waarlijk ik ben gekweld, terwijl Gij in waarheid de Heer van macht zijt.

De Báb

Ga naar: Overzicht Gebeden