Martelaren en hun familie

Hij is God!
O Heer mijn God! O Gij Helper van de zwakken, Steun van de armen en Verlosser van de hulpelozen die zich tot U keren.
In uiterste deemoed hef ik mijn smekende handen tot Uw koninkrijk van schoonheid en roep ik U innerlijk vurig aan, zeggende: o God, mijn God! Help mij U te aanbidden, sterk mijn lendenen om U te dienen, sta mij met Uw genade bij in mijn dienstbaarheid aan U, vergun mij standvastig te blijven in mijn gehoorzaamheid aan U, stort de overvloedige stromen van Uw milddadigheid over mij uit, laat de blik van het oog van Uw goedertierenheid op mij rusten en dompel mij in de oceaan van Uw vergeving. Vergun dat ik word bevestigd in mijn trouw aan Uw Geloof en verleen mij een grotere mate van zekerheid en vertrouwen, opdat ik het geheel zonder de wereld kan stellen, mijn gelaat met volkomen toewijding naar Uw aangezicht mag keren, door de overtuigende kracht van bewijzen en getuigenissen word versterkt en, met majesteit en macht bekleed, iedere land- en hemelstreek achter mij kan laten. Waarlijk, Gij zijt de Barmhartige, de Alglorierijke, de Goedgunstige, de Meedogende.
O Heer! Dit zijn de overlevenden van de martelaren, dat gezelschap van gezegende zielen. Zij hebben vele beproevingen doorstaan en geduld betoond onder gruwelijke onrechtvaardigheid. Zij hebben alle gemak en voorspoed verzaakt, hebben zich gewillig onderworpen aan vreselijk lijden en tegenspoed op het pad van Uw liefde en zij worden nog steeds gevangen gehouden in de klauwen van hun vijanden die hen voortdurend met hevige kwellingen martelen, en hen onderdrukken omdat zij standvastig Uw rechte pad bewandelen. Er is niemand om hen te helpen, niemand die zich over hen ontfermt. Afgezien van de verachtelijken en de verdorvenen hebben zij niemand om mee om te gaan en te verkeren.
O Heer! Deze zielen hebben in dit aardse leven bittere zielensmart geproefd en hebben, als teken van hun liefde voor de lichtende schoonheid van Uw aangezicht en in hun vurig verlangen Uw hemels koninkrijk te bereiken, alle grove vernederingen verdragen die het volk van tirannie hen heeft aangedaan.
O Heer! Laat de verzen van goddelijke bijstand en van een spoedige overwinning in hun oren weerklinken en bevrijd hen van de onderdrukking door hen die een verschrikkelijke macht uitoefenen. Houd de handen van de verdorvenen tegen en laat deze zielen niet door de klauwen en tanden van woeste beesten worden verscheurd, want hun liefde voor U heeft hen bekoord, de mysteriën van Uw heiligheid zijn hun toevertrouwd, zij staan nederig aan Uw deur en hebben Uw verheven voorhof bereikt.
O Heer! Bekrachtig hen genadiglijk met een nieuwe geest; verlicht hun ogen door hen Uw wonderbare bewijzen te laten aanschouwen in het duister van de nacht; bestem voor hen al het goede dat overvloedig aanwezig is in Uw koninkrijk van eeuwige mysteriën; maak hen gelijk schitterende sterren die stralen boven alle gebieden, weelderige bomen beladen met vruchten, en takken die bewegen in de ochtendbries.
Waarlijk, Gij zijt de Milddadige, de Machtige, de Almogende, de Onbeperkte. Er is geen ander God dan Gij, de God van liefde en tedere barmhartigheid, de Alglorierijke, de Immervergevende.

‘Abdu’l-Bahá

Ga naar: Overzicht Gebeden