Nader tot God

Glorie zij U, o mijn God! Gij hoort Uw vurige minnaars wenen omdat zij van U gescheiden zijn, en hoort hen die U erkend hebben weeklagen vanwege hun veraf zijn van Uw tegenwoordigheid. Open voor hen de poorten van Uw genade, o mijn Heer, dat zij die met Uw toestemming en naar Uw wil kunnen binnengaan, en voor de troon van Uw majesteit mogen staan, de klank van Uw stem horen, en verlicht raken met het licht dat van Uw gelaat straalt.
Machtig zijt Gij te doen naar Uw behagen. Niemand kan de kracht van Uw soevereine macht weerstaan. Sedert het begin der tijden waart Gij alleen, zonder gelijke, en Gij blijft voor eeuwig ver verheven boven iedere voorstelling of beschrijving van U. Erbarm U dan over Uw dienaren met Uw genade en milddadigheid, en laat hen niet weerhouden worden van de kust van de oceaan van Uw nabijheid. Wie zal zich over hen ontfermen indien Gij hen verlaat, en wie zal hun genegenheid betonen indien Gij hen verre van U houdt? Zij hebben geen ander Heer dan U, niemand om te aanbidden dan U. Behandel hen grootmoedig in Uw overvloedige genade.
Gij zijt in waarheid de Immervergevende, de Meedogendste.

Bahá’u’lláh

 

Ik ben waarlijk Uw dienaar, o mijn God, en Uw arme en Uw smekeling en Uw armzalig schepsel. Ik ben aan Uw poort gekomen en zoek Uw beschutting. Ik vind slechts voldoening in Uw liefde, slechts verrukking in het U gedenken, slechts geestdrift in gehoorzaamheid aan U, slechts vreugde in het U nabij zijn, en slechts rust in hereniging met U, terwijl ik mij er toch van bewust ben dat al het geschapene is uitgesloten van Uw verheven Essentie en de gehele schepping de toegang tot Uw diepste Zijn is ontzegd. Telkens wanneer ik poog U te naderen bemerk ik niets anders in mijzelf dan de tekenen van Uw genade en aanschouw ik niets in mijn wezen dan de openbaringen van Uw goedertierenheid. Hoe kan iemand die slechts Uw schepsel is hereniging met U zoeken en Uw tegenwoordigheid bereiken, waar geen schepsel ooit met U verbonden kan zijn, noch iemand U kan begrijpen? Hoe kan een nederige dienaar U erkennen en Uw lof prijzen, terwijl Gij immers de openbaring van Uw heerschappij en de wondere getuigenissen van Uw soevereiniteit voor hem hebt bestemd? Zo getuigt ieder schepsel dat het uitgesloten wordt van het heiligdom van Uw tegenwoordigheid vanwege de beperkingen van zijn innerlijke werkelijkheid. Het is echter onbetwist dat de invloed van Uw aantrekkingskracht altoos al besloten lag in de werkelijkheid van Uw handwerk, hoewel hetgeen het heilige hof van Uw voorzienigheid past verheven is boven de gehele schepping. Dit toont mijn algehele onvermogen om U te prijzen, o mijn God, en onthult mijn uiterste onmacht om U dank te brengen; hoeveel te meer om tot erkenning van Uw goddelijke eenheid te komen of de duidelijke tekenen van Uw lof, Uw heiligheid en Uw glorie te onderkennen. Neen, bij Uw macht, ik smacht slechts naar Uw eigen Zelf en zoek geen ander dan U.

De Báb

 

O mijn God! Er is niemand dan Gij om mijn zielenleed te verzachten, en Gij zijt mijn grootste verlangen, o mijn God. Mijn hart is verknocht aan niemand buiten U en aan degenen die Gij liefhebt. Ik verklaar plechtig dat mijn leven en mijn sterven U toebehoren. Gij zijt waarlijk onvergelijkelijk en hebt geen deelgenoot.
O mijn Heer! Ik smeek U mij te vergeven dat ik mij van U afgesloten heb. Bij Uw glorie en majesteit, ik heb U niet op passende wijze kunnen erkennen en aanbidden, terwijl Gij Uzelf toch aan mij kenbaar maakt en mij oproept U te gedenken naar het Uw rang waardig is. Groot onheil zou mij treffen, o mijn Heer, indien Gij mij zou grijpen vanwege mijn wandaden en overtredingen. Ik ken geen ander helper dan U. Ik kan naar geen andere schuilplaats vluchten dan naar U. Geen van Uw schepselen durft zonder Uw instemming voorspraak bij U te doen. Voor Uw hof houd ik vast aan Uw liefde, en naar Uw gebod aanbid ik U vurig zoals het Uw glorie betaamt. Ik smeek U naar mijn roepen te luisteren zoals Gij mij beloofd hebt. Gij zijt waarlijk God; geen God is er dan Gij. Alleen en zonder hulp zijt Gij onafhankelijk van al het geschapene. De toewijding van Uw minnaars kan U niet baten, noch kunnen de wandaden van de ongelovigen U schaden. Waarlijk, Gij zijt mijn God, die Zijn belofte altijd zal nakomen.
O mijn God! Ik smeek U bij de tekenen van Uw gunst om mij nader te laten komen tot de verheven hoogten van Uw heilige tegenwoordigheid, en mij te behoeden toe te geven aan de subtiele verlokkingen van alles buiten U. Leid mijn schreden, o mijn God, naar hetgeen voor U aanvaardbaar en aangenaam is. Beschut mij door Uw macht voor de furie van Uw toorn en kastijding, en weerhoud mij van het betreden van door U niet gewenste woningen.

De Báb

 

O God, mijn God, mijn Geliefde, mijn Hartsverlangen.

De Báb

 

O Heer, mijn God en mijn schuilplaats in mijn wanhoop! Mijn schild en mijn beschutting in mijn leed! Mijn vrijplaats en mijn toevlucht in tijden van nood en in mijn eenzaamheid mijn metgezel! In mijn smart mijn trooster en in mijn verlatenheid een liefdevol vriend! Degeen die de pijn mijner droefenis wegneemt en mijn zonden verontschuldigt!
Ik keer mij geheel tot U en smeek U vurig, met mijn gehele hart, verstand en tong, mij in dit tijdperk Uwer goddelijke eenheid te beschermen tegen al wat in strijd is met Uw wil, en mij te reinigen van alle smetten die mij zullen beletten onbevlekt en onbesmeurd de schaduw van de boom van Uw genade te zoeken.
Heb erbarmen met de zwakken, o Heer, heel de zieken en les de brandende dorst.
Verblijd het hart waarin het vuur van Uw liefde smeult en zet het in gloed met de vlam van Uw hemelse liefde en geest.
Bekleed de tabernakelen van goddelijke eenheid met het gewaad van heiligheid en plaats de kroon van Uw gunst op mijn hoofd.
Verlicht mijn gelaat met de glans van de hemelbol van Uw milddadigheid en help mij genadiglijk aan Uw heilige drempel te dienen.
Laat mijn hart overvloeien van liefde voor Uw schepselen en geef dat ik het toonbeeld van Uw barmhartigheid mag worden, het teken van Uw genade, degeen die eensgezindheid onder Uw geliefden bevordert, U toegewijd, U gedenkend en het eigen ik vergetend, doch immer hetgeen U toebehoort indachtig.
O God, mijn God! Houd de zachte bries van Uw vergiffenis en genade niet bij mij weg en onthoud mij niet de bronnen van Uw hulp en gunst.
Laat mij onder de schaduw van Uw beschermende vleugels nestelen en laat Uw albeschermende blik over mij gaan.
Maak mijn tong los om Uw Naam onder Uw volk te verheerlijken, opdat mijn stem in grote bijeenkomsten klinke en een vloed van lof te Uwer ere mij van de lippen strome.
Gij zijt waarlijk de Genadige, de Verheerlijkte, de Machtige, de Alvermogende.

‘Abdu’l-Bahá

 

Hij is de Meedogende, de Almilddadige! O God, mijn God! Gij ziet mij, Gij kent mij; Gij zijt mijn schuilplaats en mijn toevlucht. Niemand heb ik gezocht noch zal ik zoeken buiten U; geen pad heb ik begaan noch zal ik begaan dan het pad van Uw liefde. In de duistere nacht van wanhoop richt ik mijn blik vol verwachting en hoop op de morgen van Uw grenzeloze gunst, en bij het aanbreken van de dag wordt mijn kwijnende ziel verkwikt en gesterkt door het gedenken van Uw schoonheid en volmaaktheid. Hij die met de gunst van Uw genade wordt geholpen zal, al ware hij slechts een druppel, tot een grenzeloze oceaan worden, en het kleinste atoom dat door de uitstorting van Uw goedertierenheid wordt bijgestaan, zal schijnen als een stralende ster.
Beschut deze geboeide, in vuur geraakte dienaar onder Uw bescherming, o Gij Geest van zuiverheid, Gij die de almilddadige Verzorger zijt. Help hem in deze bestaanswereld standvastig en trouw te blijven in Uw liefde en laat deze vleugellamme vogel een schuilplaats en toevlucht vinden in Uw goddelijk nest dat in de hemelse boom rust.

‘Abdu’l-Bahá

Ga naar: Overzicht Gebeden