Ochtend

O mijn God en mijn Meester! Ik ben Uw dienaar en de zoon van Uw dienaar. Ik ben van mijn sponde verrezen in deze ochtendstond waarop de Dagster van Uw één-zijn helder schijnt vanuit de Dageraad van Uw wil en haar luister over de gehele wereld uitstort, zoals in de boeken van Uw gebod is bepaald.
Ere zij U, o mijn God, dat wij tot de pracht van het licht van Uw kennis zijn ontwaakt. Zend dan datgene tot ons neer, o mijn Heer, waardoor wij niets buiten U van node zullen hebben, en wat ons zal bevrijden van alle gehechtheid aan alles buiten U. Schrijf bovendien neer voor mij en voor hen die mij lief zijn en voor mijn verwanten, man zowel als vrouw, het goede van deze wereld en van de wereld die komen zal. Beschut ons dan met Uw nimmer falende bescherming, o Gij de geliefde van de gehele schepping en het verlangen van het universum, tegen hen die Gij verschijningen deed zijn van de boze fluisteraar, die in ‘s mensen hart fluisteren. Machtig zijt Gij te doen naar Uw behagen. Gij zijt waarlijk de Almachtige, de Helper in nood, de Bij-zich-bestaande.
Zegent Gij, o Heer mijn God, Hem die Gij boven Uw voortreffelijkste benamingen hebt gesteld en door wie Gij de godvruchtigen van de verdorvenen hebt gescheiden, en help ons genadiglijk te doen hetgeen Gij liefhebt en wenst. Zegent Gij bovendien, o mijn God, hen die Uw Woorden en Uw Letters zijn, en hen die hun blik op U gericht hebben en zich tot Uw aangezicht keren en naar Uw roep luisteren.
Gij zijt waarlijk de Heer en Koning aller mensen en zijt machtig over alle dingen.

Bahá’u’lláh

Ik ben onder Uw beschutting ontwaakt, o mijn God, en het past hem die deze beschutting zoekt binnen het heiligdom van Uw bescherming en de vesting van Uw verdediging te verwijlen. Verlicht mijn innerlijk, o mijn Heer, met de luister van de dageraad van Uw Openbaring, gelijk Gij mijn uiterlijk hebt verlicht met het morgenlicht van Uw gunst.

Bahá’u’lláh

Ik ben deze morgen opgestaan door Uw genade, o mijn God, en vol vertrouwen op U heb ik mijn woning verlaten, en mij geheel aan Uw zorg toevertrouwd. Zend dan Uwerzijds een zegening vanuit de hemel van Uw barmhartigheid tot mij neer en laat mij veilig terugkeren, zoals Gij mij ook onder Uw bescherming liet vertrekken, met mijn gedachten standvastig op U gericht.
Er is geen ander God dan Gij, de Ene, de Onvergelijkelijke, de Alwetende, de Alwijze.

Bahá’u’lláh

Ik loof U, o mijn God, dat Gij mij uit mijn slaap deed ontwaken en mij uit mijn verzonken-zijn hebt geroepen en mij uit mijn sluimer deed verrijzen. Ik ben deze morgen ontwaakt met mijn gelaat geheven naar de pracht van de Dagster van Uw Openbaring, die de hemelen van Uw macht en Uw majesteit heeft verlicht; ik erken Uw tekenen, geloof in Uw Boek en houd vast aan Uw koord.
Ik smeek U, bij de macht van Uw wil en de dwingende kracht van Uw doel, om hetgeen Gij mij in mijn slaap onthulde tot het zekerste fundament te maken voor de woningen van Uw liefde die zich in het hart van Uw geliefden bevinden, en tot het beste middel om de tekenen van Uw genade en Uw goedertierenheid te openbaren.
Bestemt Gij met Uw verhevenste Pen voor mij, o mijn Heer, het goede van deze wereld en van de volgende. Ik betuig dat de teugels aller dingen in Uw greep liggen. Gij verandert ze naar Uw behagen. Geen God is er buiten U, de Sterke, de Getrouwe.
Gij zijt Degeen die door Zijn gebod vernedering in heerlijkheid verandert en zwakte in kracht, machteloosheid in macht, vrees in rust en twijfel in zekerheid. Geen God is er dan Gij, de Machtige, de Weldadige.
Gij stelt niemand die U zoekt teleur noch houdt Gij iemand die naar U verlangt van U af. Bestemt Gij voor mij hetgeen de hemel van Uw edelmoedigheid en de oceaan van Uw milddadigheid past. Gij zijt waarlijk de Almachtige, de Krachtigste.

Bahá’u’lláh

Ga naar: Overzicht Gebeden