Onderricht, uit de Tafelen van het Goddelijk Plan

Geopenbaard aan de bahá’ís van
de Verenigde Staten en Canada

O Gij onvergelijkelijke God! O Gij, Heer van het Koninkrijk! Deze zielen zijn Uw hemels leger. Sta hen bij en laat hen met behulp van de legers van de allerhoogste Schare zegevieren, opdat eenieder van hen een regiment gelijk worde en deze landen verovert door de liefde Gods en de schittering van de goddelijke leringen.
O God! Weest Gij hun steun en toeverlaat, en weest Gij hun vertrouweling in de wildernis, de bergen, de dalen, de wouden, de prairies en de zeeën, zodat hun roep luide zal klinken door de kracht van het Koninkrijk en de adem van de Heilige Geest.
Waarlijk, Gij zijt de Krachtige, de Machtige en de Almogende, en Gij zijt de Wijze, de Horende en de Ziende.

‘Abdu’l-Bahá

 

Geopenbaard aan de bahá’ís van
de Verenigde Staten en Canada

Laat eenieder die zich op onderrichtsreis begeeft tijdens zijn reizen in vreemde landen dit gebed dag en nacht reciteren:

O God, mijn God! Gij ziet mij in vervoering, en aangetrokken tot Uw glorierijke koninkrijk, ontvlamd met het vuur van Uw liefde onder de mensen, een heraut van Uw koninkrijk in deze uitgestrekte landen, onthecht van alles buiten U, in vol vertrouwen op U, rust en gemak verzakend, ver van mijn geboorteplaats, een zwerver in deze gebieden, een ter aarde gevallen vreemdeling, ootmoedig aan Uw verheven drempel, onderworpen aan de hemel van Uw almachtige heerlijkheid, U smekend in het holst van de nacht en bij het aanbreken van de dag, U biddend en aanroepend in de ochtend en de avond, mij genadiglijk bij te staan om Uw Zaak te dienen, Uw leringen wijd en zijd te verbreiden en Uw Woord in het gehele Oosten en Westen te verheerlijken.
O Heer! Sterk mijn rug, geef dat ik U met volledige inzet kan dienen, en laat mij in deze gebieden niet eenzaam en hulpeloos aan mijzelf over.
O Heer! Wees met mij in mijn eenzaamheid en weest Gij mijn metgezel in deze vreemde landen.
Waarlijk, Gij bekrachtigt al wie Gij wilt in hetgeen Gij verlangt, en waarlijk, Gij zijt de Almogende, de Almachtige.

‘Abdu’l-Bahá

 

Geopenbaard aan de bahá’ís van
de Verenigde Staten en Canada

Laat al wie naar verschillende gebieden reist om te onderrichten, deze smeekbede aandachtig lezen in bergen en woestijnen, te land en ter zee:

O God! O God! Gij ziet hoe zwak, deemoedig en nederig ik ben ten overstaan van Uw schepselen; niettemin verlaat ik mij op U en ben ik opgestaan om Uw leringen te verspreiden onder Uw sterke dienaren, in vertrouwen op Uw kracht en macht.
O Heer! Ik ben een vleugellamme vogel en ik verlang ernaar mijn vlucht te nemen in Uw onbegrensde ruimte. Hoe anders kan ik dat doen dan door Uw voorzienigheid en genade, Uw bekrachtiging en bijstand?
O Heer! Heb medelijden met mijn zwakheid en sterk mij met Uw kracht. O Heer! Heb medelijden met mijn onmacht en sta mij bij met Uw macht en majesteit.
O Heer! Zou de ademtocht van de Heilige Geest het zwakste der schepselen bekrachtigen, dan zou hij alles bereiken waar hij naar streeft en alles bezitten wat hij wenst. Waarlijk, Gij hebt Uw dienaren in het verleden bijgestaan, en ofschoon zij de zwaksten onder Uw schepselen waren, de laagsten van Uw dienaren en de onbeduidendsten van hen die op aarde leefden, werden zij door Uw bekrachtiging en macht belangrijker dan de glorierijksten onder Uw volk en de nobelsten der mensen. Waar zij voorheen gelijk motten waren, werden zij gelijk koninklijke valken, en waar zij eerst gelijk beekjes waren, werden zij gelijk zeeën door Uw gaven en Uw erbarmen. Door Uw allergrootste gunst werden zij sterren stralend aan de horizon van leiding, vogels zingend in de rozentuin van onsterfelijkheid, leeuwen brullend in de wouden van kennis en wijsheid en walvissen zwemmend in de oceanen des levens.
Waarlijk, Gij zijt de Welwillende, de Krachtige, de Machtige en de Barmhartigste der barmhartigen.

‘Abdu’l-Bahá

 

Geopenbaard aan de bahá’ís van
de Verenigde Staten en Canada

O God, mijn God! Gij ziet hoe diepe duisternis ieder gebied omringt, hoe alle landen branden met het vuur van tweedracht, en de brand van oorlog en slachting in het Oosten en in het Westen woedt. Er vloeit bloed, de grond is met lijken bedekt en er liggen afgehouwen hoofden in het stof van het slagveld.
O Heer! Heb medelijden met deze onwetenden, zie op hen neer met de blik van vergeving en gratie. Doof dit vuur, opdat deze zware wolken die de horizon verduisteren worden verdreven, de Zon van Werkelijkheid gaat schijnen met de stralen van verzoening, deze duisternis wordt verjaagd en het prachtige licht van vrede over alle landen schijnt.
O Heer! Redt de mensen uit de diepe poel van haat en vijandschap en verlos hen van deze ondoordringbare duisternis. Verenig hun harten en verhelder hun ogen met het licht van vrede en verzoening. Verlos hen uit het diepe dal van oorlog en bloedvergieten, en bevrijd hen van het duister van dwaling. Neem de sluier voor hun ogen weg en verlicht hun hart met het licht van leiding. Bejegen hen met Uw tedere erbarmen en mededogen, en behandel hen niet naar Uw gerechtigheid en toorn die de ledematen der machtigen doen beven.
O Heer! Oorlogen duren voort. Vrees en ellende nemen toe, en ieder vruchtbaar gebied ligt braak.
O Heer! De gemoederen zijn bezwaard en de mensen leven in zielensmart. Ontferm U over deze armzaligen en laat hen niet over aan de uitspattingen van hun eigen begeerten.
O Heer! Laat in Uw landen nederige en ootmoedige zielen verschijnen van wie het gelaat verlicht is met de stralen van leiding, die onthecht zijn van de wereld, Uw Naam verheerlijken, Uw lof zingen en de geur van Uw heiligheid onder de mensheid verspreiden.
O Heer! Sterk hun rug, omgord hun lendenen en breng hun hart in vervoering met de machtigste tekenen van Uw liefde.
O Heer! Zij zijn waarlijk zwak, en Gij zijt de Krachtige en de Machtige; zij zijn krachteloos, en Gij zijt de Helper en de Barmhartige.
O Heer! De zee van oproer zwelt aan en deze zware stormen zullen alleen tot bedaren komen door Uw grenzeloze genade die alle gebieden omvat.
O Heer! De mensen bevinden zich waarlijk in de afgrond van hartstocht, en niets dan Uw oneindige milddadigheid kan hen redden.
O Heer! Verdrijf het duister van deze verdorven begeerten en verlicht de harten met de lamp van Uw liefde die alle landen eerlang zal verlichten. Bekrachtig bovendien Uw geliefden, zij die hun vaderland, hun familie en hun kinderen achterlieten, en uit liefde voor Uw schoonheid naar vreemde landen zijn gereisd om Uw geuren te verspreiden en Uw leringen te verbreiden. Weest Gij hun metgezel in hun eenzaamheid, hun helper in vreemde landen, de verdrijver van hun verdriet, hun trooster bij rampspoed. Weest Gij een verfrissende dronk voor hun dorst, een geneesmiddel voor hun ziekten en een balsem voor hun brandend hartsverlangen.
Waarlijk, Gij zijt de Grootmoedigste, de Heer van overvloedige genade en waarlijk, Gij zijt de Meedogende en de Barmhartige.

‘Abdu’l-Bahá

 

Geopenbaard aan de bahá’ís van
de noordoostelijke staten.

De volgende smeekbede moeten de leraren en de vrienden dagelijks lezen:

O Gij vriendelijk Heer! Lof zij U dat Gij ons de weg van leiding hebt gewezen, de deuren van het koninkrijk hebt geopend en Uzelf hebt geopenbaard door de Zon van Werkelijkheid. De blinden hebt Gij zicht gegeven; de doven hebt Gij gehoor verleend; Gij hebt de doden doen herleven; Gij hebt de armen verrijkt; Gij hebt de verdoolden de weg gewezen; Gij hebt degenen met dorstende lippen naar de bron van leiding gevoerd; Gij hebt de dorstige vis vergund de oceaan van werkelijkheid te bereiken; en Gij hebt de dolende vogels naar de rozentuin van genade genood.
O Gij Almachtige! Wij zijn Uw dienaren en Uw nooddruftigen; wij zijn veraf en smachten naar Uw tegenwoordigheid, wij dorsten naar het water van Uw bron, wij zijn ziek en verlangen naar Uw genezing. Wij volgen Uw pad en hebben geen ander doel of andere hoop dan het verspreiden van Uw geuren, opdat elke ziel de roep “O God, leid ons tot het rechte pad” mag aanheffen. Mogen hun ogen worden geopend en het licht zien, en mogen zij worden bevrijd van het duister van onwetendheid. Mogen zij samenkomen rond de lamp van Uw leiding. Moge iedere misdeelde een deel ontvangen. Mogen de achtergestelden deelgenoot van Uw mysteriën worden.
O Almachtige! Zie naar ons met de blik van erbarmen. Verleen ons hemelse bevestiging. Schenk ons de adem van de Heilige Geest, opdat wij bijgestaan mogen worden in het U dienen en als stralende sterren met het licht van Uw leiding mogen schijnen in deze gebieden.
Waarlijk, Gij zijt de Krachtige, de Machtige, de Wijze en de Ziende.

‘Abdu’l-Bahá

 

Geopenbaard aan de bahá’ís van de zuidelijke staten

Eenieder die door de steden, dorpen en gehuchten van deze staten reist en de geuren Gods aan het verspreiden is, moet deze bede iedere ochtend nauwkeurig lezen:

O mijn God! O mijn God! Gij ziet mij in mijn nederigheid en zwakte, doende met de grootste onderneming, vastbesloten Uw woord onder de massa te verheffen en Uw leringen onder Uw volkeren te verspreiden. Hoe kan ik slagen als Gij mij niet bijstaat met de ademtocht van de Heilige Geest, mij niet helpt te overwinnen door de legers van Uw heerlijk Koninkrijk en Uw bevestiging niet op mij laat neerdalen, die zelfs een mug in een adelaar kan veranderen, een druppel water in rivieren en zeeën, en een atoom in lichten en zonnen? O mijn Heer! Sta mij bij met Uw zegevierende en doeltreffende macht, zodat mijn tong Uw lof en Uw eigenschappen onder alle mensen mag verkondigen, en mijn ziel mag overvloeien van de wijn van Uw liefde en kennis.
Gij zijt de Almachtige en Degeen die doet al hetgeen Hij maar wil.

‘Abdu’l-Bahá

 

Geopenbaard aan de bahá’ís in
 de centraal gelegen staten

Laat de verspreiders van de geuren Gods dit gebed iedere ochtend zeggen:

O Heer, mijn God! Lof en dankzegging zij U, want Gij hebt mij geleid naar de heirweg van het koninkrijk, mij toegestaan dit rechte en verreikende pad te bewandelen, mijn oog verhelderd door het aanschouwen van de pracht van Uw Licht, mijn oor doen luisteren naar de melodieën van de vogels van heiligheid uit het koninkrijk van mysteriën en mijn hart aangetrokken met Uw liefde onder de rechtvaardigen.
O Heer! Sterk mij met de Heilige Geest, zodat ik in Uw Naam onder de volkeren mag spreken en de blijde tijding van de openbaring van Uw koninkrijk aan de mensheid mag brengen.
O Heer! Ik ben zwak, sterk mij met Uw kracht en macht. Mijn tong stamelt, sta mij toe van Uw gedenken en lof te spreken. Ik ben nederig, eer mij door mij toe te laten tot Uw koninkrijk. Ik ben veraf, doe mij de drempel van Uw barmhartigheid naderen. O Heer! Maak mij een lichtende lamp, een stralende ster en een gezegende boom waarvan de takken, getooid met vruchten, al deze gebieden beschutten. Waarlijk, Gij zijt de Machtige, de Krachtige en de Onbeperkte.

‘Abdu’l-Bahá

 

Geopenbaard aan de bahá’ís van de westelijke staten

De volgende bede moet […] iedere dag gelezen worden:

O God! O God! Deze vogel is vleugellam en zijn vlucht is moeizaam - sta hem bij, opdat hij naar de top van voorspoed en behoud mag vliegen, door de onbegrensde ruimte mag wieken in uiterste vreugde en geluk, zijn melodie uit Uw allerhoogste Naam in alle gebieden mag aanheffen, de oren mag verblijden met deze roep en de ogen mag verhelderen bij de aanblik van de tekenen van leiding.
O Heer! Ik ben alleen, eenzaam en nietig. Er is voor mij geen steun buiten U, geen helper dan U en niemand die mij schraagt dan Gij. Bevestig mij in mijn dienstbaarheid aan U, sta mij bij met de heerscharen van Uw engelen, laat mij zegevieren bij het verspreiden van Uw Woord en sta mij toe Uw wijsheid onder Uw schepselen te verkondigen.
Waarlijk, Gij zijt de helper van de armen en de verdediger van de kleinen en waarlijk, Gij zijt de Krachtige, de Machtige en de Onbeperkte.

‘Abdu’l-Bahá

 

Geopenbaard aan de bahá’ís van Canada

Ere zij U, o mijn God! Dit zijn Uw dienaren die zijn aangetrokken door de geur van Uw erbarmen, zijn aangestoken door het vuur dat in de boom van Uw enig-zijn brandt, wier ogen oplichten bij het aanschouwen van de pracht van het licht dat schijnt in de Sinaï van Uw één-zijn.
O Heer! Maak hun tong los om gewag van U te maken onder Uw volk, vergun hen te getuigen van Uw lof door Uw genade en goedertierenheid, sta hen bij met de scharen van Uw engelen, sterk hun lendenen in dienstbaarheid aan U en maak hen het teken van Uw leiding onder Uw schepselen.
Waarlijk, Gij zijt de Almogende, de Verhevenste, de Immervergevende, de Albarmhartige.

‘Abdu’l-Bahá

 

Geopenbaard aan de bahá’ís van Canada

De verbreiders van de geuren Gods dienen dit gebed iedere morgen te reciteren:

O God, mijn God! Gij ziet deze zwakke smeken om hemelse kracht, deze arme hunkeren naar Uw goddelijke schatten, deze dorstige verlangen naar de bron van eeuwig leven, deze gekwelde smachten naar Uw beloofde genezing door Uw grenzeloze barmhartigheid die Gij hebt bestemd voor Uw uitverkoren dienaren in Uw koninkrijk in den hoge.
O Heer! Ik heb geen helper dan U, geen toevlucht buiten U en niemand die mij schraagt dan Gij. Sta mij bij met Uw engelen om Uw heilige geuren te verspreiden en Uw leringen wijd en zijd onder de voortreffelijksten van Uw volk te verbreiden.
O mijn Heer! Vergun mij onthecht te zijn van alles buiten U, mij stevig vast te houden aan de zoom van Uw milddadigheid, geheel toegewijd te zijn aan Uw Geloof, standvastig in Uw liefde te blijven en hetgeen Gij in Uw Boek hebt voorgeschreven in acht te nemen.
Waarlijk, Gij zijt de Krachtige, de Machtige, de Alvermogende.

‘Abdu’l-Bahá

Ga naar: Overzicht Gebeden