Onderricht

Verheerlijkt zij Uw Naam, o mijn God, dat Gij de Dag die de Koning der Dagen is hebt geopenbaard, de Dag die Gij in Uw voortreffelijke Tafelen hebt aangekondigd aan Uw uitverkorenen en Uw profeten, de Dag waarop Gij de pracht van de glorie van al Uw namen over al het geschapene hebt uitgestort. Groot is de zegening van hem die zich tot U heeft gekeerd en Uw tegenwoordigheid heeft bereikt, en de klank van Uw stem heeft gehoord.
Ik smeek U, o mijn Heer, bij de naam van Hem rond wie het koninkrijk van Uw namen in aanbidding cirkelt, dat Gij hen die U lief zijn genadiglijk bij zult staan om Uw woord onder Uw dienaren te verheerlijken en Uw lof onder Uw schepselen te verspreiden, opdat de vervoering van Uw openbaring de ziel van alle bewoners van Uw aarde vervulle.
Nu Gij hen naar de levende wateren van Uw genade geleid hebt, o mijn Heer, geef dan door Uw gunst dat zij niet van U worden weggehouden; en nu Gij hen tot de plaats van Uw troon geroepen hebt, verdrijf hen, in Uw goedertierenheid, niet van Uw tegenwoordigheid.
Zend dan datgene tot hen neer wat hen geheel los zal maken van alles buiten U, en stel hen in staat hun vlucht te nemen naar de sferen van Uw nabijheid, op zulk een wijze dat noch het overwicht van de onderdrukker noch de inblazingen van hen die niet in Uw zeer verheven en machtige Zelf geloven, bij machte zullen zijn hen van U weg houden.

Bahá’u’lláh

 

Ere zij U, o Heer mijn God! Ik smeek U bij Uw Naam welke niemand naar behoren heeft erkend, en welks betekenis geen ziel heeft doorgrond; ik smeek U bij Hem die de Bron is van Uw Openbaring en de Dageraad van Uw tekenen, mijn hart tot een bewaarplaats van Uw liefde en van het U gedenken te maken. Verbind het dan met Uw grootste Oceaan, dat de levende wateren van Uw wijsheid en de kristalheldere stromen van Uw verheerlijking en lof eruit voort mogen vloeien.
Mijn ledematen getuigen van Uw eenheid, en de haren op mijn hoofd bevestigen de kracht van Uw soevereiniteit en macht. Ik sta aan de deur van Uw genade in volkomen deemoed en volledige zelfverloochening, klem mij aan de zoom van Uw milddadigheid, en richt mijn ogen op de horizon van Uw gaven.
Bestemt Gij toch voor mij, o mijn God, hetgeen de grootheid van Uw majesteit past, en help mij door Uw sterkende genade Uw Zaak zo te onderrichten dat de doden zich uit hun graven spoeden en zich naar U haasten in volledig vertrouwen op U, met hun blik gericht op het morgenland van Uw Zaak en dageraadsplaats van Uw Openbaring.
Gij zijt waarlijk de Krachtigste, de Hoogste, de Alwetende, de Alwijze.

Bahá’u’lláh

 

Glorie zij U, o Gij Heer van de wereld en het Verlangen der natiën, o Gij die openbaar geworden zijt in de Grootste Naam, waarbij de parelen van wijsheid en woorden uit de schelpen van de grote zee Uwer kennis te voorschijn zijn gekomen en de hemelen van goddelijke Openbaring werden getooid met het licht van de opkomst van de zon Uws aanschijns.
Ik smeek U – bij dat Woord waardoor Uw bewijs onder Uw schepselen werd vervolmaakt en Uw getuigenis onder Uw dienaren werd voltooid – om Uw volk te sterken in hetgeen waardoor het aanzicht van de Zaak in Uw rijk zal stralen, en de vaandels van Uw macht onder Uw dienaren zullen worden geplant en de banieren van Uw leiding in al Uw rijken zullen worden geheven.
O mijn Heer! Gij ziet hen zich vastklemmen aan het koord van Uw genade en zich vasthouden aan de zoom van de mantel van Uw goedgunstigheid. Bestem voor hen wat hen nader tot U zal brengen, en houd hen verre van alles buiten U.
Ik smeek U, o Gij Koning van het bestaan en Beschermer van het geziene en het ongeziene, om al wie opstaat om Uw Zaak te dienen te maken als een zee die deint op Uw wens, als iemand die in gloed staat met het vuur van Uw Heilige Boom, en straalt vanaf de hemelse horizon van Uw wil. Waarlijk, Gij zijt de Machtige, die noch door de macht der gehele wereld noch door de kracht van natiën verzwakt kan worden. Er is geen God dan Gij, de Ene, de Onvergelijkelijke, de Beschermer, de Bij-Zich-Bestaande.

Bahá’u’lláh

 

O God, Gij die de Auteur van alle Manifestaties zijt, de Bron aller bronnen, de Wel aller openbaringen en de Oorsprong aller lichten! Ik betuig dat door Uw Naam de hemel van begrip werd getooid, en de oceaan van woorden is aangezwollen, en de beschikkingen van Uw voorzienigheid aan de volgelingen van alle religies zijn verkondigd.
Ik smeek U mij zo te verrijken dat alles buiten U overbodig wordt en ik onafhankelijk van eenieder buiten Uzelf word. Laat dan uit de wolken van Uw milddadigheid datgene op mij neerregenen wat mij in elk van Uw werelden zal baten. Sta mij dan door Uw sterkende genade bij Uw Zaak zo onder Uw dienaren te dienen dat ik datgene zal betonen waardoor ik herinnerd zal worden zolang Uw eigen koninkrijk voortduurt en Uw heerschappij standhoudt.
Dit is Uw dienaar, o mijn Heer, die zich met zijn gehele wezen naar de horizon van Uw milddadigheid, en de oceaan van Uw genade en de hemel van Uw gaven keert. Handel dan met mij naar het Uw majesteit en Uw glorie en Uw milddadigheid en Uw genade past.
Gij zijt in waarheid de God van sterkte en kracht, die bereid is hen die U aanroepen te antwoorden. Er is geen God dan Gij, de Alwetende, de Alwijze.

Bahá’u’lláh

 

Zeg: Verheerlijkt zij Uw Naam, o Heer mijn God! Ik smeek U bij Uw Naam waardoor de pracht van het licht van wijsheid luisterrijk heeft geschenen toen de hemelen van goddelijke uiting onder de mensheid in beweging zijn gebracht, om mij genadiglijk te helpen door Uw hemelse bevestiging en mij in staat te stellen Uw Naam onder Uw dienaren te verheerlijken.
O Heer! Tot U heb ik mijn gelaat gekeerd, onthecht van alles buiten U, en ik houd mij vast aan de zoom van de mantel van Uw veelvuldige zegeningen. Maak daarom mijn tong los om datgene te verkondigen wat het gemoed der mensen bekoort en hun ziel en geest verblijdt. Sterk mij dan zodanig in Uw Zaak dat ik niet gehinderd word door het overwicht van de onderdrukkers onder Uw schepselen, noch weerhouden word door de aanvallen van de ongelovigen onder hen die in Uw rijk verblijven. Maak mij als een lamp die in Uw gehele gebied schijnt, opdat degenen in wiens hart het licht van Uw kennis gloeit en het verlangen naar Uw liefde sluimert door de glans ervan geleid mogen worden.
Waarlijk, machtig zijt Gij te doen al wat Gij wilt, en Gij houdt het koninkrijk der schepping in Uw greep. Er is geen ander God dan Gij, de Almachtige, de Alwijze.

Bahá’u’lláh

 

Verheerlijkt zij Uw Naam, o mijn God! Nu Gij mij deze waarheid hebt doen verstaan, smeek ik U bij Uw Naam welke geen perkament kan vermelden, geen hart zich kan voorstellen en geen tong kan uiten – een Naam die verborgen zal blijven zolang Uw eigen Essentie verborgen is en verheerlijkt zal worden zolang Uw eigen Wezen geprezen wordt – om de vaandels van Uw onbetwiste oppermacht en zegepraal te ontplooien aleer het jaar ten einde neigt, zodat de gehele schepping worde verrijkt door Uw rijkdom en worde verheven door de veredelende invloed van Uw alles te boven gaande soevereiniteit, en allen zullen opstaan om Uw Zaak te bevorderen.
Gij zijt waarlijk de Almachtige, de Allerhoogste, de Alglorierijke, de Albeheerser, de Albezitter.

Bahá’u’lláh

 

Duisternis omringt ieder land, o mijn God, en doet de meesten Uwer dienaren beven. Ik smeek U, bij Uw Allergrootste Naam, in iedere stad nieuwe schepselen te doen opstaan die zich tot U zullen keren en U onder Uw dienaren zullen gedenken, die krachtens hun woorden en wijsheid het vaandel van Uw zege zullen ontplooien en die zich zullen losmaken van al het geschapene.
Machtig zijt Gij te doen naar Uw behagen. Geen God is er dan Gij, de Almogende, Hij Wiens hulp door alle mensen wordt afgesmeekt.

Bahá’u’lláh

 

Verheerlijkt zij Uw Naam, o mijn God! Ik betuig dat als Uw dienaren zich tot U zouden keren met de ogen waarmee Gij hen hebt geschapen en met de oren waarmee Gij hen hebt begiftigd, zij allen meegesleept zouden worden door een enkel woord neergezonden vanuit de rechterzijde van de troon van Uw majesteit. Dat woord alleen al zou voldoende zijn om hun gelaat te verhelderen, hun hart gerust te stellen en hun ziel te doen opwieken naar de sferen van Uw grote heerlijkheid en zich te verheffen tot de hemel van Uw oppermacht.
Ik bid U, o Gij die de Heer aller namen en de Heerser van hemel en aarde zijt, te schenken dat allen die U dierbaar zijn een kelk van Uw barmhartigheid mogen worden in Uw dagen, opdat zij het hart van Uw dienaren tot nieuw leven kunnen wekken. Stel hen ook in staat, o mijn God, te worden als de stortregen uit de wolken van Uw genade en als de wind die de lentegeuren van Uw goedertierenheid verspreidt, dat zij de bodem van het hart van Uw schepselen mogen bedekken met groen gewas en datgene mogen voortbrengen wat de geuren ervan in Uw gehele rijk zal verspreiden, zodat eenieder de zoete geur van de mantel van Uw Openbaring gewaar kan worden. Machtig zijt Gij te doen naar Uw wil.
De kracht van Uw Macht is mij tot getuige! Al wie gedronken heeft uit de kelk die de hand van Uw barmhartigheid ronddroeg, zal zich ontdoen van alles buiten U en zal door een woord uit zijn mond in staat zijn de ziel van diegenen Uwer dienaren die sluimeren op het bed van verzuim en onachtzaamheid in verrukking te brengen, en hen ertoe te bewegen hun gelaat te keren naar Uw grootste Teken, en bij U niets te zoeken dan Uzelf, en van U slechts datgene te vragen wat Gij met de pen van Uw oordeel voor hen hebt bepaald en in de Tafel van Uw gebod hebt voorgeschreven.
O mijn God, zend dan door Uw Allergrootste Naam tot Uw geliefden neer hetgeen hen onder alle omstandigheden nader tot U zal brengen. Gij zijt waarlijk de Almachtige, de Alglorierijke, Wiens hulp door allen wordt afgesmeekt.

Bahá’u’lláh

 

Ik smeek U, o mijn God, bij Uw kracht en Uw macht en Uw soevereiniteit, die allen die in Uw hemel en op Uw aarde zijn omvatten, Uw dienaren deze stralende Weg en dit rechte Pad bekend te maken, dat zij Uw eenheid en Uw één-zijn mogen erkennen met een zekerheid die niet door de nutteloze verbeelding der twijfelaars zal worden verzwakt noch door de ijdele hersenschimmen der eigenzinnigen zal worden verduisterd. Verlicht, o mijn Heer, de ogen van Uw dienaren en verblijd hun hart met de luister van het licht van Uw kennis, dat zij de grootheid van deze verhevenste rang mogen begrijpen en deze stralendste Horizon erkennen, opdat het getier der mensen hen niet weerhoude hun blik te wenden naar het schitterende licht van Uw eenheid en hen niet verhindere hun gelaat te heffen naar de horizon van onthechting.

Bahá’u’lláh

 

Zeg: O God, mijn God! Gij ziet mij rond Uw Wil cirkelen met mijn ogen gericht op de horizon van Uw genade, vurig verlangend naar de openbaring van de schitterende pracht van de zon Uwer gunsten.
Ik smeek U, o Gij Geliefde van ieder begrijpend hart en het verlangen van hen die U nabij zijn, te geven dat Uw geliefden geheel onthecht raken van hun eigen neigingen en vasthouden aan wat U behaagt. Tooi hen, o Heer, met de mantel van rechtschapenheid en verlicht hen met de pracht van het licht van onthechting. Sta hen bij met de legers van wijsheid en welsprekendheid, dat zij Uw Woord onder Uw schepselen mogen verheerlijken en Uw Zaak onder Uw dienaren zullen verkondigen.
Waarlijk, machtig zijt Gij te doen hetgeen Gij wilt, en de teugels van alle aangelegenheden rusten in Uw hand. Er is geen God dan Gij, de Machtige, de Immervergevende.

Bahá’u’lláh

 

O mijn God, helpt Gij Uw dienaar het Woord te verheffen, wat nutteloos en onwaar is te weerleggen, de waarheid vast te stellen, de heilige verzen wijd en zijd bekend te maken, de pracht ervan te onthullen en het morgenlicht in het hart van de rechtvaardigen te doen opkomen.
Gij zijt waarlijk de Edelmoedige, de Vergevende.

‘Abdu’l-Bahá

 

O God, mijn God! Helpt Gij Uw vertrouwde dienaren een liefdevol en warm hart te hebben. Help hen het licht van leiding dat van de Scharen in den hoge komt in alle landen der aarde te verspreiden. Waarlijk, Gij zijt de Sterke, de Krachtige, de Machtige, de Albeheerser, de Immerschenkende. Waarlijk, Gij zijt de Edelmoedige, de Zachtzinnige, de Liefderijke, de Milddadigste.

‘Abdu’l-Bahá

 

Gij ziet mij nederig geknield, o mijn God, deemoedig voor Uw geboden, onderworpen aan Uw soevereiniteit, huiverend voor de macht van Uw heerschappij, vluchtend voor Uw gramschap, smekend om Uw genade, vertrouwend op Uw vergiffenis, bevend van ontzag voor Uw toorn. Ik smeek U met bonzend hart, stromende tranen en smachtende ziel, en in volledige onthechting van alle dingen, om Uw minnaars te maken als lichtstralen door al Uw rijken, en Uw uitverkoren dienaren te helpen Uw Woord te verheerlijken, opdat hun gelaat mag stralen van pracht en schoonheid, hun hart vervuld mag worden van mysteriën, en iedere ziel zijn zondenlast mag afleggen. Bescherm hen dan tegen de belager, tegen hem die een schaamteloze en boosaardige godslasteraar is geworden.
Waarlijk, Uw minnaars zijn dorstig, o mijn Heer; leid hen naar de wel van milddadigheid en genade. Waarlijk, zij zijn hongerig; zend Uw hemelse dis tot hen neer. Waarlijk, zij zijn naakt; kleed hen met de mantel van geleerdheid en kennis.
Helden zijn het, o mijn Heer, leid hen naar het strijdperk. Gidsen zijn het, laat hen luid en duidelijk spreken met argumenten en bewijzen. Verzorgende dienaren zijn het, laat hen de kelk die overvloeit van de wijn van zekerheid ronddragen. O mijn God, maak hen tot jubelende zangers in fraaie tuinen, maak hen tot leeuwen die klaarliggen in het struikgewas, walvissen die de immense diepte induiken.
Waarlijk, Gij zijt Degeen van overvloedige genade. Er is geen ander God dan Gij, de Machtige, de Krachtige, de Immerschenkende.

‘Abdu’l-Bahá

 

Gij weet, o God, en zijt mij tot getuige dat ik geen ander verlangen in mijn hart heb dan Uw welbehagen te verwerven, bevestigd te worden in dienstbaarheid aan U, mij te wijden aan het U dienen, te werken in Uw grote wijngaard en alles te offeren op Uw pad. Gij zijt de Alwetende en de Alziende. Ik heb geen andere wens in mijn liefde voor U dan mijn schreden naar de bergen en de woestijnen te richten om de komst van Uw Koninkrijk luide te verkondigen en Uw roep onder alle mensen aan te heffen. O God! Maakt Gij de weg vrij voor deze hulpeloze, geeft Gij deze zieke Uw remedie en schenk deze getroffene Uw genezing. Ik smeek U met brandend hart en tranen in de ogen aan Uw Drempel.
O God! Ik ben bereid iedere bezoeking op Uw pad te doorstaan en verlang er met heel mijn hart en ziel naar iedere ontbering tegemoet te treden.
O God! Behoed mij voor beproevingen. Gij ziet en weet dat ik mij van alle dingen heb afgewend en mij van alle gedachten heb bevrijd. Ik heb geen andere bezigheden dan het U noemen en geen ander streven dan U dienen.

‘Abdu’l-Bahá

Ga naar: Overzicht Gebeden