Onthechting

Vergun mij, o mijn God, U nader te komen en binnen de grenzen van Uw hof te verblijven, want het veraf zijn van U heeft mij bijkans doen wegkwijnen. Laat mij rusten onder de schaduw van de vleugels van Uw genade, daar de vlam van mijn afzondering van U mijn hart in mij heeft verteerd. Breng mij nader tot de rivier van waarachtig leven, want mijn ziel brandt van dorst in zijn onophoudelijke zoektocht naar U. Mijn zuchten, o mijn God, verkondigen mijn bittere smart, en de tranen die ik schrei getuigen van mijn liefde voor U.
Ik smeek U, bij de lof waarmee Gij Uzelf looft en de glorie waarmee Gij Uw eigen Essentie verheerlijkt, te schenken dat wij gerekend mogen worden tot hen die U in Uw dagen hebben erkend en Uw soevereiniteit hebben onderkend. Help ons dan, o mijn God, om uit de hand van erbarmen de levende wateren van Uw goedertierenheid te drinken, opdat wij alles buiten U geheel mogen vergeten, en slechts U indachtig zullen zijn. Krachtig zijt Gij te doen hetgeen Gij wilt. Geen God is er buiten U, de Machtige, de Helper in nood, de Bij-zich-bestaande.
Verheerlijkt zij Uw Naam, o Gij die de Koning aller koningen zijt!

Bahá’u’lláh

 

Verheerlijkt zijt Gij, o mijn God! Ik breng U dank dat Gij Degeen die het ochtendgloren is van Uw erbarmen, de dageraadsplaats van Uw genade en de schatkamer van Uw Zaak, aan mij bekend hebt gemaakt. Ik smeek U bij Uw Naam waardoor het gelaat van hen die U nabij zijn is verbleekt, en het hart van hen die U zijn toegewijd zijn vlucht naar U heeft genomen, te geven dat ik altijd en onder alle omstandigheden Uw koord mag grijpen en verlost mag zijn van alle gehechtheid aan iemand buiten U, en mijn ogen gericht mag houden op de horizon van Uw Openbaring en mag volbrengen hetgeen Gij mij in Uw Tafelen hebt voorgeschreven.
Sier, o mijn Heer, mijn innerlijk en mijn uiterlijk wezen met de tooi van Uw gaven en Uw goedertierenheid. Bescherm mij dan tegen al wat Gij verafschuwt, en help mij en mijn verwanten genadiglijk om U te gehoorzamen en alles te schuwen wat slechte of verdorven wensen in mij kan opwekken.
Gij zijt waarlijk de Heer der gehele mensheid, en de Bezitter van deze wereld en van de volgende. Geen God is er dan Gij, de Alwetende, de Alwijze.

Bahá’u’lláh

 

Geloofd zij Uw Naam, o mijn God! Ik smeek U bij de geuren van het gewaad van Uw genade, die op Uw bevel en in overeenstemming met Uw wens over de gehele schepping werden verspreid, en bij de Dagster van Uw wil die door de kracht van Uw macht en Uw soevereiniteit helder aan de horizon van Uw genade schijnt, om elke ijdele waan en nutteloze verbeelding uit mijn hart te wissen, opdat ik mij met al mijn genegenheid tot U mag keren, o Gij Heer van de gehele mensheid!
Ik ben Uw dienaar en de zoon van Uw dienaar, o mijn God! Ik heb de handgreep van Uw genade gevat en mij vastgeklemd aan het koord van Uw tedere barmhartigheid. Beschik voor mij het goede dat bij U is en voed mij van de Tafel die Gij hebt neergezonden uit de wolken van Uw milddadigheid en de hemel van Uw gunst.
Gij zijt, in waarheid, de Heer der werelden, en de God van allen die in de hemel en allen die op aarde zijn.

Bahá’u’lláh

 

Menig verkild hart is in vlam gezet met het vuur van Uw Zaak, o mijn God, en menig slapende is gewekt door de zoetheid van Uw stem. Hoevele vreemdelingen zoeken beschutting in de schaduw van de boom van Uw één-zijn, en hoe talrijk zijn de dorstigen die in Uw dagen naar de bron van Uw levend water smachten!
Gezegend is hij die zich tot U heeft gewend en zich heeft gehaast het ochtendgloren van het licht van Uw aanschijn te bereiken. Gezegend is hij die zich met al zijn genegenheid naar de dageraadsplaats van Uw Openbaring en de Bron van Uw inspiratie keert. Gezegend is hij die hetgeen Gij hem door Uw milddadigheid en gaven hebt geschonken op Uw pad besteedt. Gezegend is hij die in zijn diepe verlangen naar U alles buiten U van zich afgeworpen heeft. Gezegend is hij die innige verbondenheid met U ervaart en zich van alle gehechtheid aan iemand buiten U ontdaan heeft.
Ik smeek U, o mijn Heer, bij Hem die Uw Naam is, die door de kracht van Uw soevereiniteit en macht boven de horizon van Zijn gevangenis is verrezen, voor elkeen te bestemmen hetgeen U siert en Uw verheven staat past.
Uw macht is, in waarheid, tegen alles bestand.

Bahá’u’lláh

 

Ik weet niet, o mijn God, wat het vuur is dat Gij in Uw land deed ontvlammen. Aarde kan de glans ervan nooit verduisteren, noch kan water de vlammen ervan blussen. Geen van de volkeren der wereld is bij machte de kracht ervan te weerstaan. Groot is de gelukzaligheid van hem die het is genaderd en het loeien ervan heeft gehoord.
Sommigen, o mijn God, stelde Gij door Uw sterkende genade in staat het te naderen, terwijl Gij anderen ervan weerhield vanwege hetgeen hun handen in Uw dagen hebben aangericht. Al wie zich erheen spoedde en het bereikte heeft, in zijn vurig verlangen om Uw schoonheid te aanschouwen, zijn leven gegeven op Uw pad en is, geheel vrij van alles buiten U, tot U opgestegen.
Ik smeek U, o mijn Heer, bij dit vuur dat laait en woedt in de wereld der schepping, de sluiers vaneen te scheuren die mij hebben belet voor de troon van Uw majesteit te verschijnen en aan de deur van Uw poort te staan. Beschikt Gij voor mij, o mijn Heer, al het goede dat Gij hebt neergezonden in Uw Boek, en laat mij niet ver van de beschutting van Uw genade verwijderd zijn.
Machtig zijt Gij te doen naar Uw behagen. Gij zijt waarlijk de Almogende, de Grootmoedigste.

Bahá’u’lláh

 

Geprezen zijt Gij, o mijn God! Ik ben een van Uw dienaren die in U en in Uw tekenen gelooft. Gij ziet hoe ik mij naar de deur van Uw barmhartigheid begeef en mijn gelaat in de richting van Uw goedertierenheid heb gekeerd. Ik smeek U bij Uw voortreffelijkste benamingen en Uw verhevenste eigenschappen om de poorten van Uw gaven voor mij te openen. Help mij dan het goede te doen, o Gij die de Bezitter zijt van alle namen en eigenschappen!
Ik ben arm, o mijn Heer, en Gij zijt de Rijke. Ik heb mijn gelaat naar U gekeerd en mij losgemaakt van alles buiten U. Ik smeek U, laat mij niet verstoken zijn van de bries van Uw tedere genade en onthoud mij niet wat Gij voor de uitverkorenen onder Uw dienaren hebt beschikt.
Neem de sluier weg van mijn ogen, o mijn Heer, opdat ik kan erkennen wat Gij voor Uw schepselen hebt gewenst, en in alle tekenen van Uw handwerk de openbaringen van Uw almacht kan ontwaren. Breng mijn ziel in verrukking, o mijn Heer, met Uw machtigste tekenen en red mij uit de diepten van mijn ontaarde en slechte verlangens. Schrijf dan het goede van deze wereld en van de wereld die komen gaat voor mij neer. Machtig zijt Gij te doen naar Uw behagen. Geen God is er dan Gij, de Alglorierijke, Wiens hulp wordt ingeroepen door alle mensen.
Ik zeg U dank, o mijn Heer, dat Gij mij uit mijn slaap hebt gewekt, mij deed opstaan en in mij het verlangen schiep datgene gewaar te worden wat de meesten Uwer dienaren niet hebben kunnen begrijpen. Stel mij daarom in staat, o mijn Heer, om uit liefde voor U en omwille van Uw behagen, al hetgeen Gij wenst te aanschouwen. Gij zijt Degeen van Wiens macht en heerschappij alle dingen getuigen.
Er is geen ander God dan Gij, de Almachtige, de Weldadige.

Bahá’u’lláh

 

In naam van Uw Heer, de Schepper, de Heerser, de Altoereikende, de Verhevenste, Hij Wiens hulp wordt afgesmeekt door alle mensen.
Zeg: O mijn God! O Gij die de Maker zijt van de hemelen en de aarde, o Heer van het Koninkrijk! Gij kent de geheimen van mijn hart, terwijl Uw Wezen ondoorgrondelijk is voor allen buiten Uzelf. Gij ziet al wat van mij is, terwijl niemand dan Gij dit kan. Schenk mij door Uw genade datgene waardoor ik niets buiten U van node zal hebben, en bestem voor mij hetgeen mij onafhankelijk zal maken van eenieder buiten U. Vergun dat ik de vruchten van mijn leven in deze wereld en in de volgende mag plukken. Open voor mijn ogen de poorten van Uw genade, en verleen mij genadiglijk Uw liefderijke barmhartigheid en gaven.
O Gij die de Heer van overvloedige genade zijt! Omring hen die U liefhebben met Uw hemelse hulp, en verleen ons de gaven en milddadigheden die Gij bezit. Weest Gij ons toereikend in alle dingen, vergeef onze zonden en wees ons genadig. Gij zijt onze Heer en de Heer van al het geschapene. Wij roepen niemand buiten U aan, en wij zoeken niets dan Uw gunsten. Gij zijt de Heer van milddadigheid en genade, onoverwinnelijk in Uw kracht en meesterlijk in Uw plannen. Geen God is er dan Gij, de Albezitter, de Verhevenste.
Verleen Uw zegeningen, o mijn Heer, aan de Boodschappers, de heiligen en de rechtvaardigen. Waarlijk, Gij zijt God, de Weergaloze, de Onweerstaanbare.

De Báb

 

O Heer! Bij U zoek ik mijn toevlucht en naar al Uw tekenen richt ik mijn hart.
O Heer! Op reis of thuis, tijdens mijn bezigheden of op mijn werk, vertrouw ik geheel op U.
Verleen mij dan Uw toereikende hulp zodat ik onafhankelijk van alle dingen word, o Gij die onovertroffen zijt in Uw barmhartigheid!
Schenk mij mijn deel naar Uw behagen, o Heer, en laat mij tevreden zijn met al hetgeen Gij voor mij hebt bestemd.
Aan U is het absolute gezag te bevelen.

De Báb

 

Zeg: God voldoet alle dingen boven alle dingen en niets in de hemelen of op aarde behalve God is genoeg. Waarlijk, Hij is in Zichzelf de Wetende, de Schragende, de Alvermogende.

De Báb

 

O God, mijn God! Gij zijt mijn hoop en mijn geliefde, mijn hoogste doel en verlangen! Met grote nederigheid en algehele toewijding smeek ik U mij tot een minaret van Uw liefde in Uw gebied te maken, een lamp van Uw kennis onder Uw schepselen en een vaandel van goddelijke milddadigheid in Uw koninkrijk.
Reken mij tot diegenen onder Uw dienaren die zich hebben onthecht van alles buiten U, zich hebben gelouterd van de vergankelijkheden van deze wereld en zich hebben verlost van de influisteringen van hen die waanideeën verkondigen.
Laat mijn hart overvloeien van vreugde door de geest van bekrachtiging uit Uw koninkrijk en verlicht mijn ogen met het aanschouwen van de legers van goddelijke bijstand die achtereenvolgens op mij neerdalen uit het koninkrijk van Uw alvermogende glorie.
Gij zijt in waarheid de Almachtige, de Alglorierijke, de Almogende.

‘Abdu’l-Bahá

 

O God, mijn God! Schenk voor mij de kelk van onthechting van alle dingen vol, en verblijd mij te midden van Uw pracht en Uw gaven met de wijn van het U liefhebben. Bevrijd mij van de aanvallen van hartstocht en begeerte, ontdoe mij van de boeien van dit ondermaanse, voer mij in verrukking naar Uw hemels rijk en verkwik mij met de ademtochten van Uw heiligheid te midden van de dienaressen.
O Heer, verhelder mijn gelaat met het licht van Uw gaven, verlicht mijn ogen met het aanschouwen van de tekenen van Uw albeheersende macht, verheug mijn hart met de heerlijkheid van Uw kennis die alle dingen omvat, verblijd mijn ziel met Uw vreugdevolle tijding die de ziel nieuw leven geeft, o Gij Koning van deze wereld en van het Koninkrijk in den hoge, o Gij Heer van heerschappij en macht, opdat ik Uw tekenen en bewijzen alom mag verspreiden, Uw Zaak verkondigen, Uw leringen bevorderen, Uw Wet dienen en Uw Woord verheerlijken.
Gij zijt waarlijk de Krachtige, de Immergevende, de Kundige, de Almachtige.

‘Abdu’l-Bahá

Ga naar: Overzicht Gebeden