Standvastigheid

Ik verheerlijk Uw Naam, o mijn God, en betuig U dank, o mijn verlangen, daar Gij mij in staat hebt gesteld Uw rechte Pad duidelijk waar te nemen, Uw Grote Aankondiging voor mijn ogen hebt onthuld en mij hebt geholpen mijn gelaat te keren naar de Dageraad van Uw Openbaring en de Bron van Uw Zaak, terwijl Uw dienaren en Uw volk zich van U hebben afgewend. Ik smeek U, o Heer van het Koninkrijk van eeuwigheid, bij het doordringende geluid van de Pen van Heerlijkheid en bij het vlammende vuur dat luide roept vanuit de groene Boom, en bij de Ark die Gij in het bijzonder uitverkoren hebt voor het volk van Bahá, te geven dat ik standvastig mag blijven in mijn liefde voor U, tevreden mag zijn met al hetgeen Gij voor mij hebt voorgeschreven in Uw Boek, en stevig mag staan in dienstbaarheid aan U en aan Uw geliefden. Sta Uw dienaren dan genadiglijk bij, o mijn God, om datgene te doen wat Uw Zaak zal verheffen en hen in staat zal stellen al hetgeen Gij in Uw boek hebt geopenbaard na te leven.
Waarlijk, Gij zijt de Heer van Sterkte, Gij zijt machtig te beschikken wat Gij ook maar wilt en Gij houdt de teugels van al het geschapene in Uw greep. Geen God is er dan Gij, de Almogende, de Alwetende, de Alwijze.

Bahá’u’lláh

 

Verheerlijkt zij Uw Naam, o Heer mijn God! Ik smeek U bij Uw macht die al het geschapene omvat, en bij Uw heerschappij die de gehele schepping te boven gaat, en bij Uw Woord dat in Uw wijsheid verborgen lag en waarmee Gij Uw hemel en Uw aarde hebt geschapen, ons niet alleen standvastig te laten zijn in onze liefde voor U en in onze gehoorzaamheid aan Uw wens, maar ook onze blik te vestigen op Uw gelaat, en Uw lof te verheerlijken. Geef ons de kracht, o mijn God, om Uw tekenen onder Uw schepselen bekend te maken en Uw Geloof in Uw rijk te behoeden. Gij hebt altijd onafhankelijk van het noemen van welk van Uw schepselen ook bestaan, en Gij zult voor altijd en eeuwig blijven wie Gij waart.
In U stel ik mijn gehele vertrouwen, naar U keer ik mijn gelaat, aan het koord van Uw liefdevolle voorzienigheid klem ik mij vast en naar de schaduw van Uw genade haast ik mij. Verstoot mij niet van Uw deur als een teleurgesteld mens, o mijn God, en onthoud mij Uw genade niet, want U alleen zoek ik. Geen God is er dan Gij, de Immervergevende, de Milddadigste.
Ere zij U, o Gij de Beminde van hen die U kennen!

Bahá’u’lláh

 

O Gij, Wiens nabijheid mijn wens is, Wiens aanwezigheid mijn hoop, Wiens gedenken mijn verlangen is, Wiens hof van heerlijkheid mijn doel, Wiens verblijf mijn oogmerk is, Wiens naam mijn genezing, Wiens liefde mijn hart doet stralen en Wien te dienen mijn hoogste streven is! Ik smeek U bij Uw Naam, waardoor Gij hen die U erkennen in staat hebt gesteld hun vlucht te nemen naar de verhevenste hoogten van het U kennen en hen die U toegewijd aanbidden hebt bekrachtigd zich tot de tuin van het hof van Uw heilige gunsten te verheffen, mij te helpen mijn gelaat naar Uw gelaat te keren, mijn ogen op U te vestigen en van Uw heerlijkheid te gewagen.
Ik ben degeen, o mijn Heer, die alles buiten U is vergeten en zich naar de Dageraad van Uw genade heeft gekeerd, die van alles buiten U afstand heeft gedaan in de hoop nader tot Uw hof te komen. Aanschouw mij dan met mijn ogen opgeheven naar de Zetel die straalt met de pracht van het licht van Uw gelaat. Zend dan tot mij neer, o mijn Geliefde, wat mij standvastig in Uw Zaak zal doen zijn, zodat de twijfels van de ongelovigen mij niet zullen beletten mij tot U te keren.
Gij zijt waarlijk de God van Kracht, de Helper in nood, de Allerheerlijkste, de Almachtige.

Bahá’u’lláh

 

O God, mijn God! Ik keer mij berouwvol tot U, en Gij zijt waarlijk de Vergevende, de Meedogende.
O God, mijn God! Ik ben tot U weergekeerd, en Gij zijt waarlijk de Immervergevende, de Genadige.
O God, mijn God! Ik klem mij aan het koord van Uw milddadigheid, en bij U is de onuitputtelijke bron van al hetgeen in de hemel en op aarde is.
O God, mijn God! Ik heb mij tot U gehaast, en Gij zijt waarlijk de Vergevende, de Heer van overvloedige genade.
O God, mijn God! Ik dorst naar de hemelse wijn van Uw genade, en Gij zijt waarlijk de Gevende, de Milddadige, de Genadige, de Almachtige!
O God, mijn God! Ik betuig dat Gij Uw Zaak hebt geopenbaard, Uw belofte bent nagekomen, en datgene uit de hemel van Uw genade hebt neergezonden wat het hart van Uw uitverkorenen tot U aantrekt. Wel gaat het hem die zich vasthoudt aan Uw stevige koord en zich vastklemt aan de zoom van Uw luisterrijke kleed!
Ik vraag U, o Heer van alle bestaan en Koning van het geziene en het ongeziene, bij Uw kracht, Uw majesteit en Uw soevereiniteit, te geven dat Uw glorierijke pen mijn naam optekent als een van hen die U zijn toegewijd, die niet door de schrijfsels van de zondaars werden weerhouden zich tot het licht van Uw aanschijn te wenden, o God, die gebeden verhoort en beantwoordt!

Bahá’u’lláh

 

Verheerlijkt zijt Gij, o Heer mijn God! Ik smeek U bij Hem die Uw Grootste Naam is, die diep is gekweld door dezulken Uwer schepselen die Uw waarheid hebben verworpen, en die omsloten werd door smarten die niet met woorden te beschrijven zijn, te geven dat ik U zal gedenken en Uw lof zal bezingen in deze dagen waarop allen zich hebben afgewend van Uw schoonheid, met U hebben geredetwist en zich minachtend hebben afgekeerd van Hem die de Openbaarder van Uw Zaak is. Er is niemand, o mijn Heer, om U te helpen dan Uzelf, en geen kracht om U te steunen dan Uw eigen kracht.
Ik smeek U mij in staat te stellen mij vastberaden aan Uw liefde en Uw gedachtenis vast te klemmen. Dit ligt waarlijk in mijn vermogen en Gij zijt Degeen die alles weet wat in mij is. Gij zijt waarlijk de kenner en Gij zijt op de hoogte van alles. O mijn Heer, ontneem mij niet de pracht van het licht van Uw gelaat, welks glans de gehele wereld verlicht. Geen God is er buiten U, de Krachtigste, de Alglorierijke, de Immervergevende.

Bahá’u’lláh

 

Geprezen zijt Gij, o mijn Heer, dat Gij mij in staat hebt gesteld de Manifestatie van Uw eigen Wezen te erkennen en mij hebt bijgestaan mijn hart te richten naar het hof van Uw tegenwoordigheid, het voorwerp van aanbidding van mijn ziel. Ik smeek U, bij Uw Naam die de hemelen en de aarde vaneen deed scheuren, voor mij te beschikken wat Gij hebt beschikt voor hen die zich van alles buiten U hebben afgekeerd en zich vastberaden op U verlaten. Geef dat ik in Uw tegenwoordigheid op de zetel van waarheid mag plaatsnemen, binnen de tabernakel van heerlijkheid. Machtig zijt Gij te doen naar Uw wil. Er is geen ander God dan Gij, de Alglorierijke, de Alwijze.

Bahá’u’lláh

 

Ere zij U, o Heer, mijn Meestgeliefde! Maak mij standvastig in Uw Zaak en geef dat ik gerekend mag worden tot hen die Uw Verbond niet hebben geschonden, noch de goden van hun eigen ijdele verbeelding hebben gevolgd. Laat mij dan een zetel van waarheid verkrijgen in Uw tegenwoordigheid, verleen mij een teken van Uw erbarmen en laat mij aansluiten bij dezulken Uwer dienaren die geen vrees zullen kennen, noch door smart getroffen zullen worden. Laat mij niet aan mijzelf over, o mijn Heer, weerhoudt mij niet van het erkennen van Hem die de Manifestatie van Uw eigen Zelf is, en schaar mij niet onder hen die zich van Uw heilige tegenwoordigheid hebben afgewend. Reken mij, o mijn God, tot hen die het voorrecht hebben hun blik op Uw Schoonheid te vestigen en die daar zo verrukt van zijn dat zij geen enkel moment ervan zouden willen ruilen voor de heerschappij over het koninkrijk van hemelen en aarde of voor het gehele rijk der schepping. Ontferm U over mij, o Heer, in deze dagen waarin de volkeren van Uw aarde smartelijk dwalen; voorzie mij dan, o mijn God, van hetgeen naar Uw oordeel goed en betamelijk is. Gij zijt waarlijk de Almogende, de Genadige, de Milddadige, de Immervergevende.
Vergun, o mijn God, dat ik niet gerekend worde tot hen wier oren doof zijn, wier ogen blind zijn, wier tong sprakeloos is en wier hart geen begrip kent. Verlos mij, o mijn Heer, van het vuur van onwetendheid en zelfzucht, vergun mij toegelaten te worden tot de voorhof van Uw alles te boven gaande genade en zend datgene tot mij neer wat Gij voor Uw uitverkorenen bestemd hebt. Machtig zijt Gij te doen hetgeen Gij wilt. Waarlijk, Gij zijt de Helper in nood, de Bij-zich-bestaande.

De Báb

 

Geloofd en verheerlijkt zijt Gij, o God! Vergun dat de dag dat Uw heilige tegenwoordigheid bereikt wordt snel naderbij komt. Verblijd ons gemoed met de kracht van Uw liefde en goedertierenheid, en maak ons standvastig opdat wij bereid zijn ons te onderwerpen aan Uw wil en Uw gebod. Waarlijk, Uw kennis omvat alle dingen die Gij geschapen hebt of nog zult scheppen, en Uw hemelse macht overstijgt al hetgeen Gij tot leven hebt geroepen of nog zult roepen. Er is niemand om te aanbidden dan U, er is niemand om naar te verlangen buiten U, er is niemand om te beminnen behalve U en er is niets om lief te hebben dan Uw welbehagen.
Waarlijk, Gij zijt de opperste Heerser, de Soevereine Waarheid, de Helper in nood, de Bij-zich-bestaande.

De Báb

 

O mijn God, o mijn Heer, o mijn Meester! Ik smeek U mij te vergeven voor het zoeken naar enig genoegen buiten Uw liefde, enige troost buiten het U nabij zijn, enige vreugde buiten Uw welbehagen of enig ander bestaan dan omgang met U.

De Báb

 

O Heer, mijn God! Help Uw geliefden sterk te staan in Uw Geloof, Uw wegen te bewandelen en standvastig te zijn in Uw Zaak. Geef hun Uw genade om de aanvallen van zelfzucht en hartstocht te weerstaan en het licht van goddelijke leiding te volgen. Gij zijt de Krachtige, de Genadige, de Bij-zich-bestaande, de Schenker, de Meedogende, de Almachtige, de Almilddadige.

‘Abdu’l-Bahá

 

O Gij mijn God, die de zoeker naar het rechte pad leidt, die de verloren en verblinde zielen uit de woestenij van verderf bevrijdt, Gij die de oprechten grote gaven en gunsten schenkt, die de bevreesden beschermt in Uw onneembare toevluchtsoord, die vanuit Uw allerhoogste horizon de roep van hen die U aanroepen beantwoordt. Geprezen zijt Gij, o mijn Heer! Gij hebt de verwarden weggeleid van de dood van ongeloof, en hebt hen die U nabij zijn naar het doel van de reis gebracht, en hebt de onverschrokkenen onder Uw dienaren verblijd door hun dierbaarste wensen te vervullen, en hebt vanuit Uw Koninkrijk van schoonheid de poorten van hereniging geopend voor de ogen van hen die hevig naar U verlangen, en hen gered uit het vuur van ontbering en verlies – zodat zij zich naar U hebben gehaast en Uw tegenwoordigheid hebben bereikt, en bij Uw open deur zijn aangekomen en een overvloed aan geschenken hebben ontvangen.
O mijn Heer, zij waren dorstig, Gij hebt het water van hereniging naar hun uitgedroogde lippen gebracht. O Tedere, Schenkende, Gij hebt hun pijn verlicht met de balsem van Uw milddadigheid en genade, en hun kwalen geheeld met het soevereine medicijn Uwer mededogen. O Heer, plaats hun voeten stevig op Uw rechte pad, maak het oog van de naald wijd voor hen en laat hen, gekleed in koninklijk gewaad, voor altijd en eeuwig in glorie wandelen.
Waarlijk, Gij zijt de Edelmoedige, de Immergevende, de Onschatbare, de Milddadigste. Er is geen ander God dan Gij, de Machtige, de Krachtige, de Verhevene, de Zegevierende.

‘Abdu’l-Bahá

Ga naar: Overzicht Gebeden