Tafel van de Heilige Zeevaarder

“Bestudeer de Tafel van de Heilige Zeevaarder, opdat u de waarheid leert kennen, en beseft dat de Gezegende Schoonheid toekomstige gebeurtenissen volledig heeft voorzegd. Laat hen die waarnemen gewaarschuwd zijn”

‘Abdu’l-Bahá

Hij is de Genadige, de Inniggeliefde! O Heilige Zeevaarder!
Gelast uw ark van eeuwigheid voor de Hemelse Schare te verschijnen,

Geprezen zij mijn Heer, de Alglorierijke!
laat haar te water op de aloude zee, in Zijn Naam, de Wonderbaarlijkste,

Geprezen zij mijn Heer, de Alglorierijke!
en laat de hemelse geesten binnentreden, in Naam van God, de Allerhoogste.

Geprezen zij mijn Heer, de Alglorierijke!
licht dan haar ankers, dat zij mag varen op de oceaan van heerlijkheid,

Geprezen zij mijn Heer, de Alglorierijke!
wellicht zullen de opvarenden de wijkplaatsen van nabijzijn in het eeuwigdurende rijk bereiken.

Geprezen zij mijn Heer, de Alglorierijke!
Nu zij de heilige oever hebben bereikt, de kust van karmozijnrode zeeën,

Geprezen zij mijn Heer, de Alglorierijke!
gelast hen naar voren te treden en deze hemelse onzichtbare staat te bereiken,

Geprezen zij mijn Heer, de Alglorierijke!
een staat waarin de Heer in de vlam van Zijn schoonheid is verschenen binnen de onsterfelijke boom;

Geprezen zij mijn Heer, de Alglorierijke!
waarin de belichamingen van Zijn Zaak zich hebben ontdaan van zelfzucht en begeerte;

Geprezen zij mijn Heer, de Alglorierijke!
waaromheen de Heerlijkheid van Mozes cirkelt met de onvergankelijke heerscharen;

Geprezen zij mijn Heer, de Alglorierijke!
waarin de Hand van God tevoorschijn kwam vanuit Zijn boezem van grootsheid;

Geprezen zij mijn Heer, de Alglorierijke!
waarin de ark van de Zaak roerloos blijft al zouden alle goddelijke hoedanigheden aan haar opvarenden verkondigd worden.

Geprezen zij mijn Heer, de Alglorierijke!
O Zeevaarder! Leer hen die in de ark verblijven hetgeen Wij u achter de mystieke sluier hebben geleerd.

Geprezen zij mijn Heer, de Alglorierijke!
Wellicht zullen zij niet dralen op de heilige sneeuwwitte plek,

Geprezen zij mijn Heer, de Alglorierijke!
maar op de vleugels van de geest opwieken naar die staat welke de Heer heeft verheven boven alle vermelding in de werelden beneden,

Geprezen zij mijn Heer, de Alglorierijke!
zweven door de ruimte gelijk de uitverkoren vogels in het rijk van eeuwigdurende hereniging;

Geprezen zij mijn Heer, de Alglorierijke!
de mysteriën mogen leren kennen die verborgen zijn in de Zeeën van licht.

Geprezen zij mijn Heer, de Alglorierijke!
Zij zijn de stadia van wereldse beperkingen ontstegen en bereikten dat van de goddelijke eenheid, het centrum van hemelse leiding.

Geprezen zij mijn Heer, de Alglorierijke!
Zij verlangden ernaar op te stijgen naar de status die de Heer boven hun rang heeft gesteld.

Geprezen zij mijn Heer, de Alglorierijke!
Daarop wierp de brandende meteoor hen uit het midden van hen die in het Koninkrijk van Zijn Tegenwoordigheid verblijven,

Geprezen zij mijn Heer, de Alglorierijke!
en zij hoorden de Stem van Grootsheid klinken vanuit het ongeziene paviljoen op glorieuze Hoogte:

Geprezen zij mijn Heer, de Alglorierijke!
“O beschermengelen! Voer hen terug naar hun verblijf in de wereld beneden,

Geprezen zij mijn Heer, de Alglorierijke!
want zij hebben zich voorgenomen tot die hoogte te stijgen welke de vleugels van de hemelse duif nimmer hebben bereikt;

Geprezen zij mijn Heer, de Alglorierijke!
waarop het schip van verbeelding strandt, hetgeen het verstand van hen die begrijpen te boven gaat.”

Geprezen zij mijn Heer, de Alglorierijke!
Daarop keek de hemelse maagd neer vanuit haar verheven vertrek,

Geprezen zij mijn Heer, de Alglorierijke!
en gaf met haar wenkbrauw een teken aan de Hemelse Schare,

Geprezen zij mijn Heer, de Alglorierijke!
en zette met haar gelaat hemel en aarde in het volle licht,

Geprezen zij mijn Heer, de Alglorierijke!
en toen de schittering van haar schoonheid het volk van stof bescheen,

Geprezen zij mijn Heer, de Alglorierijke!
schudden alle wezens in hun vergankelijke graven.

Geprezen zij mijn Heer, de Alglorierijke!
Daarop hief zij de roep aan die in alle eeuwigheid nog nooit door enig oor was gehoord,

Geprezen zij mijn Heer, de Alglorierijke!
en verkondigde aldus: “Bij de Heer! Hij wiens hart is verstoken van de geur van liefde voor de verheven en glorierijke Arabische Jongeling,

Geprezen zij mijn Heer, de Alglorierijke!
kan op generlei wijze opstijgen tot de heerlijkheid van de hoogste hemel.”

Geprezen zij mijn Heer, de Alglorierijke!
Daarop ontbood zij één van haar dienaressen bij zich,

Geprezen zij mijn Heer, de Alglorierijke!
en beval haar: “Daal af in de ruimte vanuit de verblijven van eeuwigheid,

Geprezen zij mijn Heer, de Alglorierijke!
en wend u tot hetgeen zij in het diepste van hun hart verbergen.”

Geprezen zij mijn Heer, de Alglorierijke!
Indien gij de geur inademt van de mantel van de Jongeling die is verborgen in de tabernakel van licht vanwege hetgeen de handen der verdorvenen hebben gewrocht,

Geprezen zij mijn Heer, de Alglorierijke!
hef dan in uzelf een roep aan opdat alle bewoners van de vertrekken van het Paradijs, die belichamingen van de eeuwige rijkdom, het zullen begrijpen en er gehoor aan geven;

Geprezen zij mijn Heer, de Alglorierijke!
dat zij allen vanuit hun eeuwige vertrekken mogen neerdalen en sidderen,

Geprezen zij mijn Heer, de Alglorierijke!
en kus hun handen en voeten daar zij zijn opgewiekt naar de hoogten van trouw;

Geprezen zij mijn Heer, de Alglorierijke!
“Wellicht nemen zij van hun mantel de geur van de Geliefde waar.”

Geprezen zij mijn Heer, de Alglorierijke!
Daarop straalde het gelaat van de uitverkoren jonkvrouw boven de hemelse vertrekken, gelijk het licht dat schijnt van het gelaat van de Jongeling boven Zijn sterfelijke tempel;

Geprezen zij mijn Heer, de Alglorierijke!
zij daalde vervolgens af, zo sierlijk getooid dat zij de hemelen en al hetgeen daarin is verlichtte.

Geprezen zij mijn Heer, de Alglorierijke!
Zij bewoog zich, en vervulde daarmee alle dingen in de heilige en verheven streken met een aangename geur.

Geprezen zij mijn Heer, de Alglorierijke!
Toen zij daar aankwam richtte zij zich in haar volle lengte op in de binnenste kern der schepping,

Geprezen zij mijn Heer, de Alglorierijke!
en trachtte hun geur in te ademen op een tijdstip dat begin noch einde kent.

Geprezen zij mijn Heer, de Alglorierijke!
Zij vond bij hen niet hetgeen zij zocht, en dit is waarlijk slechts één van Zijn wondere verhalen.

Geprezen zij mijn Heer, de Alglorierijke!
Daarop weeklaagde zij luid, weende en keerde terug naar haar eigen staat binnen haar hoog verheven woning,

Geprezen zij mijn Heer, de Alglorierijke!
en sprak één mystiek woord, heimelijk gefluisterd met haar honingzoete tong,

Geprezen zij mijn Heer, de Alglorierijke!
en hief te midden van de Hemelse Schare en de onsterfelijke maagden des hemels de roep aan:

Geprezen zij mijn Heer, de Alglorierijke!
“Bij de Heer! Ik heb bij deze loze vorderaars de bries van trouw niet aangetroffen!

Geprezen zij mijn Heer, de Alglorierijke!
Bij de Heer! De Jongeling is eenzaam en verlaten achtergebleven in handen van de verdorvenen in het verbanningsoord.”

Geprezen zij mijn Heer, de Alglorierijke!
Toen slaakte zij in zichzelf zulk een kreet dat de Hemelse Schare het uitschreeuwde en sidderde,

Geprezen zij mijn Heer, de Alglorierijke!
en zij stortte ter aarde en gaf de geest. Het leek of zij geroepen werd en gehoor gaf aan Hem die haar naar het Koninkrijk in den Hoge ontbood.

Geprezen zij mijn Heer, de Alglorierijke!
Geprezen zij Hij die haar geschapen heeft uit de essentie van liefde in de binnenste kern van Zijn verheven paradijs!

Geprezen zij onze Heer, de Allerhoogste!
Daarop spoedden de hemelse maagden zich uit hun vertrekken, zij van wie het gelaat nog nooit door enig bewoner van het hoogste paradijs aanschouwd was.

Geprezen zij onze Heer, de Allerhoogste!
Allen verzamelden zich rond haar, en zie, zij troffen haar lichaam neergevallen in het stof;

Geprezen zij onze Heer, de Allerhoogste!
en toen zij haar toestand aanschouwden en slechts één woord begrepen van het door de Jongeling vertelde verhaal, ontblootten zij hun hoofd, scheurden hun gewaad, sloegen zich op het hoofd, vergaten hun vreugde, vergoten tranen en sloegen zich met de handen op de wangen, en dit is waarlijk één van de verborgen smartelijke kwellingen.

Geprezen zij onze Heer, de Allerhoogste!

Bahá’u’lláh

Ga naar: Overzicht Gebeden