Tafelen van Ontmoeting

(Deze Tafel wordt gelezen bij de graftomben van Bahá’u’lláh en de Báb, en wordt ook vaak gebruikt bij Hun gedenkdagen.)

 

De lof die vanuit Uw verhevenste Wezen is verschenen en de glorie die vanuit Uw luisterrijkste Schoonheid is voortgekomen ruste op U, o Gij die de Manifestatie van Grootheid zijt, en de Koning van Eeuwigheid, en de Heer van allen die in de hemel en op aarde zijn! Ik betuig dat door U de soevereiniteit van God en Zijn heerschappij, en de majesteit van God en Zijn grootheid zijn onthuld, de Dagsterren van aloude pracht hun luister in de hemel van Uw onherroepelijk gebod hebben verspreid, en de Schoonheid van de Ongeziene helder schijnt boven de horizon der schepping. Ik betuig bovendien dat Uw uitdrukkelijk bevel “Weest Gij” met slechts één beweging van Uw Pen is voltrokken, Gods verborgen Geheim is onthuld, al het geschapene tot leven is geroepen en alle Openbaringen zijn neergezonden.
Ik getuig bovendien dat door Uw schoonheid de schoonheid van de Aanbedene is ontsluierd, door Uw gelaat het gelaat van de Begeerde heeft geschenen, en dat Gij met één woord van U tussen al het geschapene hebt geoordeeld, waardoor zij die U zijn toegewijd naar de top van heerlijkheid opstijgen, en de ongelovigen in de diepste afgrond vallen.
Ik getuig dat hij die U kent God kent, en dat hij die Uw tegenwoordigheid bereikt de tegenwoordigheid Gods bereikt. Groot is daarom de gelukzaligheid van hem die in U en in Uw tekenen gelooft, die zich voor Uw soevereiniteit verootmoedigt, de eer geniet U te ontmoeten, het welbehagen van Uw wil verwerft, zich rond U beweegt en voor Uw troon heeft gestaan. Wee hem die tegen U zondigt en U verloochent, Uw tekenen afwijst, Uw soevereiniteit ontkent, tegen U opstaat, zich voor Uw aangezicht verhovaardigt, Uw bewijzen betwist, van Uw bewind en Uw heerschappij wegvlucht, en tot de ongelovigen wordt gerekend wier namen door de vingers van Uw bevel op Uw heilige Tafelen zijn gegrift.
Laat dan, o mijn God en mijn Geliefde, uit de rechterhand van Uw barmhartigheid en Uw goedertierenheid de heilige adem van Uw gunsten tot mij komen, dat zij mij van mijzelf en van de wereld mag wegvoeren naar de hoven van Uw nabijheid en van Uw tegenwoordigheid. Machtig zijt Gij te doen naar Uw behagen. Gij zijt waarlijk oppermachtig over alle dingen.
Het gedenken van God en Zijn lof, en de heerlijkheid van God en Zijn luister rusten op U, o Gij die Zijn schoonheid zijt! Ik getuig dat het oog der schepping nimmer heeft gerust op iemand zo verguisd als Gij. Gij waart alle dagen van Uw leven ondergedompeld in een oceaan van beproevingen. Er was een tijd dat Gij geketend en geboeid waart; andermaal werd Gij bedreigd door het zwaard van Uw vijanden. Ondanks dit alles hebt Gij toch alle mensen bevolen na te komen hetgeen U werd voorgeschreven door Hem die de Alwetende, de Alwijze is.
Moge mijn geest een offer zijn voor het onrecht dat Gij hebt ondergaan en mijn ziel een losgeld voor de tegenspoed die Gij hebt verduurd. Ik smeek God, bij U en bij hen wier gelaat is verlicht door de pracht van het licht van Uw aangezicht, en die uit liefde voor U al wat hun werd bevolen zijn nagekomen, om de sluiers die tussen U en Uw schepselen zijn gekomen weg te nemen, en mij te voorzien van het goede van deze wereld en de wereld die komen gaat. Gij zijt in waarheid de Almachtige, de Verhevenste, de Alglorierijke, de Immervergevende, de Meedogendste.
Zegent Gij, o Heer mijn God, de goddelijke Lotusboom en zijn bladeren, zijn takken, zijn twijgen, zijn stammen en zijn uitlopers, zolang Uw voortreffelijkste namen en Uw verhevenste eigenschappen blijven bestaan. Bescherm hem dan tegen het kwaad van de aanvaller en de legers van tirannie. Gij zijt, in waarheid, de Almachtige, de Krachtigste. Zegent Gij eveneens, o Heer mijn God, Uw dienaren en Uw dienaressen die U bereikt hebben. Gij zijt waarlijk de Almilddadige, Wiens genade oneindig is. Geen God is er buiten U, de Immervergevende, de Edelmoedigste.

Bahá’u’lláh

 

(Dit door ‘Abdu’l-Bahá geopenbaarde gebed wordt bij zijn graftombe gelezen. Het wordt ook voor persoonlijk gebed gebruikt.)

Al wie dit gebed met innige ootmoed reciteert, zal vreugde en blijdschap brengen in het hart van deze dienaar; het zal zijn als hem van aangezicht tot aangezicht ontmoeten.

 

Hij is de Alglorierijke!
O God, mijn God! Ootmoedig en met tranen in de ogen hef ik mijn smekende handen tot U en verberg ik mijn gelaat in het stof van Uw Drempel, verheven boven de kennis van de geleerden en de lof van allen die U verheerlijken. Zie genadiglijk met de blik van barmhartigheid naar Uw dienaar, nederig en ootmoedig aan Uw deur, en dompel hem in de Oceaan van Uw eeuwige genade.
Heer! Hij is één Uwer arme en nederige dienaren die geboeid tot U smeekt, die gevangen in Uw hand vurig tot U bidt, die op U vertrouwend, in tranen voor Uw aangezicht, U aanroept en smekend tot U zegt:
O Heer, mijn God! Schenk mij Uw genade om Uw geliefden te dienen, sterk mij in mijn dienstbaarheid aan U, verlicht mijn voorhoofd met het licht van aanbidding in Uw hof van heiligheid, en van gebed tot Uw koninkrijk van grootheid. Help mij onzelfzuchtig te zijn aan de hemelse ingang van Uw poort en sta mij bij om onthecht te zijn van alle dingen binnen Uw heilige gebieden. Heer! Geef mij te drinken uit de kelk van onzelfzuchtigheid, kleed mij met haar mantel en dompel mij in haar oceaan.
Maak mij als stof op het pad van Uw geliefden, en vergun dat ik mijn ziel offere voor de aarde, geadeld door de voetstappen van Uw uitverkorenen op Uw pad, o Heer van Glorie in den Hoge.
Met dit gebed roept Uw dienaar U aan bij het gloren van de dag en bij het vallen van de nacht. Vervul zijn hartsverlangen, o Heer! Verlicht zijn hart, verblijd zijn gemoed, ontsteek zijn licht, dat hij Uw Zaak en Uw dienaren mag dienen.
Gij zijt de Schenker, de Medelijdende, de Almilddadige, de Genadige, de Barmhartige, de Meedogende.

‘Abdu’l-Bahá

Ga naar: Overzicht Gebeden