Vasten

In De Kitáb-i-Aqdas staat: “Wij hebben u opgedragen vanaf het begin der volwassenheid (15 jaar) te bidden en te vasten; dit is verordend door God, uw Heer en de Heer uwer voorvaderen… Reizigers, zieken en zij die een kind verwachten of zogen, zijn niet verplicht te vasten… Onthoudt u van zonsopgang tot zonsondergang van spijs en drank en hoedt u dat begeerte u deze genade die in het Boek is vastgelegd niet ontneemt.” De periode van de Vasten loopt van 1 Bahá tot en met 19 Bahá.

 

Dit is, o mijn God, de eerste van die dagen waarop Gij Uw geliefden hebt geboden de Vasten in acht te nemen. Ik vraag U, bij Uzelf en bij hem die vast uit liefde voor U en omwille van Uw welbehagen – en niet uit eigenbelang en begeerte, noch uit vrees voor Uw toorn – en bij Uw uitmuntendste namen en verheven eigenschappen, Uw dienaren te zuiveren van liefde voor alles buiten U en hen aan te trekken tot de dageraadsplaats van het licht van Uw aangezicht en de Zetel van de troon van Uw één-zijn. Verlicht hun hart, o mijn God, met het licht van Uw kennis en verhelder hun gelaat met de stralen van de Dagster die schijnt aan de horizon van Uw wil. Machtig zijt Gij te doen naar Uw behagen. Geen God is er dan Gij, de Alglorierijke, Wiens hulp door alle mensen wordt afgesmeekt.
Help hen, o mijn God, U te doen zegevieren en Uw Woord te verheffen. Laat hen dan als handen van Uw Zaak onder Uw dienaren worden, en maak dat zij Uw religie en Uw tekenen onder de mensheid onthullen op zulk een wijze dat de hele wereld vervuld mag worden van Uw gedachtenis en lof en van Uw bewijzen en tekenen. Gij zijt waarlijk de Almilddadige, de Verhevenste, de Krachtige, de Machtige en de Barmhartige.

Bahá’u’lláh

 

In Naam van Hem die is beloofd in de Boeken van God, de Alwetende, de Welingelichte! De vastendagen zijn gekomen, de dagen waarop die dienaren die rondom Uw troon cirkelen en Uw tegenwoordigheid hebben bereikt vasten. Zeg: o God van namen en schepper van hemel en aarde! Ik smeek U bij Uw Naam, de Alglorierijke, het vasten te aanvaarden van hen die vasten uit liefde voor U en omwille van Uw welbehagen, en die volbrengen wat Gij hun in Uw Boeken en Tafelen hebt opgedragen. Ik smeek U bij hen mij bij te staan in het bevorderen van Uw Zaak en mij standvastig in Uw liefde te maken, opdat mijn voeten niet uitglijden vanwege het misbaar van Uw schepselen. Waarlijk, Gij hebt macht over al wat Gij wilt. Geen God is er dan Gij, de Bezieler, de Almogende, de Milddadigste, de Aloude van Dagen.

Bahá’u’lláh

 

Ik smeek U, o mijn God, bij Uw machtige Teken en bij de openbaring van Uw genade onder de mensen, mij niet weg te houden van de poort van de stad van Uw tegenwoordigheid en mij niet teleur te stellen in mijn hoop op de openbaringen van Uw genade onder Uw schepselen. Gij ziet mij, o mijn God, getrouw aan Uw Naam, de Heiligste, de Stralendste, de Machtigste, de Grootste, de Verhevenste, de Heerlijkste, en mij vasthouden aan de zoom van de mantel waaraan allen in deze wereld en in de wereld die komen gaat zich vasthouden.

Ik smeek U, o mijn God, bij Uw allerzoetste Stem en bij Uw verhevenste Woord, mij steeds dichter tot de drempel van Uw deur te voeren en mij niet ver verwijderd te laten zijn van de schaduw van Uw genade en het baldakijn van Uw milddadigheid. Gij ziet mij, o mijn God, getrouw aan Uw Naam, de Heiligste, de Stralendste, de Machtigste, de Grootste, de Verhevenste, de Heerlijkste, en mij vasthouden aan de zoom van de mantel waaraan allen in deze wereld en in de wereld die komen gaat zich vasthouden.

Ik smeek U, o mijn God, bij de pracht van Uw lichtend aanschijn en de helderheid van het licht van Uw aangezicht, dat van de allerhoogste horizon schijnt, mij aan te trekken met de zoete geur van Uw gewaad en mij te laten drinken van de uitgelezen wijn van Uw woorden. Gij ziet mij, o mijn God, getrouw aan Uw Naam, de Heiligste, de Stralendste, de Machtigste, de Grootste, de Verhevenste, de Heerlijkste, en mij vasthouden aan de zoom van de mantel waaraan allen in deze wereld en in de wereld die komen gaat zich vasthouden.

Ik smeek U, o mijn God, bij Uw haar dat over Uw gelaat speelt gelijk Uw verhevenste pen zich over de bladzijden van Uw Tafelen beweegt, waarbij de muskus van verborgen betekenissen zich over het rijk van Uw schepping verspreidt, mij zo te verheffen om Uw Zaak te dienen dat ik niet zal wijken, noch zal worden gehinderd door de inblazingen van hen die Uw tekenen betwisten en zich van Uw gelaat hebben afgekeerd. Gij ziet mij, o mijn God, getrouw aan Uw Naam, de Heiligste, de Stralendste, de Machtigste, de Grootste, de Verhevenste, de Heerlijkste, en mij vasthouden aan de zoom van de mantel waaraan allen in deze wereld en in de wereld die komen gaat zich vasthouden.

Ik smeek U, o mijn God, bij Uw Naam die Gij tot de Koning van Namen hebt gemaakt, waardoor allen die in de hemel en allen die op aarde zijn in vervoering zijn gebracht, mij in staat te stellen de Dagster van Uw Schoonheid te aanschouwen en mij te voorzien van de wijn van Uw woorden. Gij ziet mij, o mijn God, getrouw aan Uw Naam, de Heiligste, de Stralendste, de Machtigste, de Grootste, de Verhevenste, de Heerlijkste, en mij vasthouden aan de zoom van de mantel waaraan allen in deze wereld en in de wereld die komen gaat zich vasthouden.

Ik smeek U, o mijn God, bij de tabernakel van Uw majesteit op de verhevenste toppen en bij het baldakijn van Uw Openbaring op de hoogste heuvelen, mij genadiglijk bij te staan datgene te doen wat door Uw wil is opgelegd en door Uw plan is aangegeven. Gij ziet mij, o mijn God, getrouw aan Uw Naam, de Heiligste, de Stralendste, de Machtigste, de Grootste, de Verhevenste, de Heerlijkste, en mij vasthouden aan de zoom van de mantel waaraan allen in deze wereld en in de wereld die komen gaat zich vasthouden.

Ik smeek U, o mijn God, bij Uw schoonheid die gloort boven de horizon van eeuwigheid, een schoonheid waarvoor het rijk van schoonheid zich in aanbidding neerbuigt en haar met schallende tonen verheerlijkt zodra zij zich openbaart, mij te vergunnen dat ik sterf jegens al wat ik bezit en leef voor al hetgeen U toebehoort. Gij ziet mij, o mijn God, getrouw aan Uw Naam, de Heiligste, de Stralendste, de Machtigste, de Grootste, de Verhevenste, de Heerlijkste, en mij vasthouden aan de zoom van de mantel waaraan allen in deze wereld en in de wereld die komen gaat zich vasthouden.

Ik smeek U, o mijn God, bij de Manifestatie van Uw Naam, de Welbeminde, door wie het hart van Uw minnaars werd verteerd en de ziel van allen die op aarde verblijven zich hoog heeft verheven, mij te helpen U te gedenken onder Uw schepselen en U te verheerlijken onder Uw volk. Gij ziet mij, o mijn God, getrouw aan Uw Naam, de Heiligste, de Stralendste, de Machtigste, de Grootste, de Verhevenste, de Heerlijkste, en mij vasthouden aan de zoom van de mantel waaraan allen in deze wereld en in de wereld die komen gaat zich vasthouden.

Ik smeek U, o mijn God, bij het geritsel van de goddelijke Lotusboom en het ruisen van de bries van Uw woorden in het koninkrijk van Uw namen, mij verre te houden van al wat Uw wil verafschuwt en mij dicht bij de rang te brengen waarin Hij die de dageraad van Uw tekenen is helder schijnt. Gij ziet mij, o mijn God, getrouw aan Uw Naam, de Heiligste, de Stralendste, de Machtigste, de Grootste, de Verhevenste, de Heerlijkste, en mij vasthouden aan de zoom van de mantel waaraan allen in deze wereld en in de wereld die komen gaat zich vasthouden.

Ik smeek U, o mijn God, bij die Letter die, zodra deze uit de mond van Uw wil voortkwam, de oceanen deed rijzen, de wind liet waaien, de vruchten deed voortkomen, de bomen deed opkomen, alle vroegere sporen heeft uitgewist, alle sluiers vaneen heeft gereten, en hen die U toegewijd zijn naar het licht van het aangezicht van hun Heer, de Onbeperkte, deed snellen, aan mij kenbaar te maken hetgeen in de schatkamers van Uw kennis en in de bewaarplaatsen van Uw wijsheid verborgen heeft gelegen. Gij ziet mij, o mijn God, getrouw aan Uw Naam, de Heiligste, de Stralendste, de Machtigste, de Grootste, de Verhevenste, de Heerlijkste, en mij vasthouden aan de zoom van de mantel waaraan allen in deze wereld en in de wereld die komen gaat zich vasthouden.

Ik smeek U, o mijn God, bij het vuur van Uw liefde dat de slaap uit de ogen van Uw uitverkorenen en Uw geliefden heeft verdreven, en bij het U gedenken en lofprijzen bij het aanbreken van de dag, mij te rekenen tot hen die bereikt hebben hetgeen Gij in Uw Boek hebt neergezonden en door Uw wil hebt geopenbaard. Gij ziet mij, o mijn God, getrouw aan Uw Naam, de Heiligste, de Stralendste, de Machtigste, de Grootste, de Verhevenste, de Heerlijkste, en mij vasthouden aan de zoom van de mantel waaraan allen in deze wereld en in de wereld die komen gaat zich vasthouden.

Ik smeek U, o mijn God, bij het licht van Uw aangezicht dat hen die U nabij zijn ertoe bracht de pijlen van Uw gebod tegemoet te treden en hen die U zijn toegewijd ertoe bracht het zwaard van Uw vijanden op Uw pad te trotseren, met Uw verhevenste Pen voor mij neer te schrijven hetgeen Gij hebt neergeschreven voor Uw vertrouwelingen en Uw uitverkorenen. Gij ziet mij, o mijn God, getrouw aan Uw Naam, de Heiligste, de Stralendste, de Machtigste, de Grootste, de Verhevenste, de Heerlijkste, en mij vasthouden aan de zoom van de mantel waaraan allen in deze wereld en in de wereld die komen gaat zich vasthouden.

Ik smeek U, o mijn God, bij Uw Naam waardoor Gij hebt geluisterd naar de roep van Uw minnaars, naar het zuchten van hen die naar U verlangen, naar de kreten van hen die Uw nabijheid genieten, en naar het gekreun van hen die U zijn toegewijd, en waardoor Gij de wensen van hen die hun hoop op U hebben gevestigd hebt vervuld, en hun verlangens hebt ingewilligd door Uw genade en gunsten, en bij Uw Naam waardoor de oceaan van vergeving voor Uw gelaat aanzwol en de wolken van Uw edelmoedigheid op Uw dienaren neerregenden, voor eenieder die zich tot U heeft gekeerd en de door U geboden Vasten heeft gehouden, de beloning neer te schrijven die beschikt is voor hen die niet spreken dan met Uw goedvinden en die alles wat zij bezaten hebben opgegeven op Uw pad en uit liefde voor U.

Ik smeek U, o mijn Heer, bij Uzelf, en bij Uw tekenen en Uw duidelijke bewijzen, en het stralende licht van de Dagster van Uw schoonheid, en bij Uw Takken, de overtredingen uit te wissen van hen die zich aan Uw wetten vasthouden, en in acht nemen wat Gij hun in Uw Boek hebt voorgeschreven. Gij ziet mij, o mijn God, getrouw aan Uw Naam, de Heiligste, de Stralendste, de Machtigste, de Grootste, de Verhevenste, de Heerlijkste, en mij vasthouden aan de zoom van de mantel waaraan allen in deze wereld en in de wereld die komen gaat zich vasthouden.

Bahá’u’lláh

 

Ere zij U, o Heer mijn God! Ik smeek U bij deze Openbaring waardoor duisternis in licht is veranderd, waardoor de veelbezochte Tempel is gebouwd, de geschreven Tafel is geopenbaard en de uitgespreide Schriftrol is onthuld, tot mij en tot hen die met mij zijn datgene neer te zenden waardoor wij op kunnen wieken naar de hemelen van Uw alles te boven gaande heerlijkheid, en wat ons zal zuiveren van die smetten van twijfel waardoor de wantrouwigen verhinderd worden de tabernakel van Uw eenheid binnen te gaan.
Ik ben degeen, o mijn Heer, die zich aan het koord van Uw goedertierenheid vasthoudt en zich aan de zoom van Uw barmhartigheid en gunst klemt. Beschikt Gij voor mij en voor hen die mij lief zijn het goede van deze wereld en van de wereld die komen zal. Voorzie hen dan van de verborgen gave die Gij voor de voortreffelijksten onder Uw schepselen hebt bestemd.
Dit zijn, o mijn Heer, de dagen waarop Gij Uw dienaren hebt geboden de Vasten te houden. Gezegend is hij die geheel om Uwentwil en volkomen onthecht van alles buiten U vast. Help mij en help hen, o mijn Heer, U te gehoorzamen en Uw voorschriften na te komen. Gij hebt waarlijk de macht te doen hetgeen Gij verkiest.
Er is geen God dan Gij, de Alwetende, de Alwijze. Alle lof zij God, de Heer aller werelden.

Bahá’u’lláh

 

Dit zijn, o mijn God, de dagen waarop Gij Uw dienaren hebt geboden te vasten. Daarmee hebt Gij de inleiding gesierd van Uw Wetboek dat aan Uw schepselen is geopenbaard, en de schatkamers van Uw geboden getooid voor het oog van allen die in Uw hemel en allen die op Uw aarde zijn. Gij hebt ieder uur van deze dagen begiftigd met een bijzondere kracht die ondoorgrondelijk is voor allen buiten U, Gij Wiens kennis al het geschapene omvat. Gij hebt tevens iedere ziel een deel van deze kracht toegekend in overeenstemming met de Tafel van Uw bevel en de Geschriften van Uw onherroepelijk oordeel. Elk blad van deze Boeken en Geschriften hebt Gij bovendien bestemd voor ieder van de volkeren en geslachten der aarde.
Voor Uw vurige minnaars hebt Gij, volgens Uw bevel, bij elke dageraad de kelk van het U gedenken bestemd, o Gij die de Heerser der heersers zijt! Dit zijn degenen die zo bedwelmd zijn door de wijn van Uw veelvuldige wijsheid dat zij hun sponde verlaten in hun verlangen Uw lof te verheerlijken en Uw deugden te prijzen, en de slaap ontvluchten in hun geestdrift Uw tegenwoordigheid te naderen en deel te hebben aan Uw milddadigheid. Hun ogen zijn te allen tijde gericht op het ochtendgloren van Uw goedertierenheid en hun gelaat is gekeerd naar de Bron van Uw bezieling. Laat dan vanuit de wolken van Uw barmhartigheid op ons en op hen neerregenen wat de hemel van Uw vrijgevigheid en genade past.
Geprezen zij Uw Naam, o mijn God! Dit is het uur waarop Gij de deuren van Uw milddadigheid hebt ontsloten voor de ogen van Uw schepselen, en de poorten van Uw tedere genade wijd hebt geopend voor alle bewoners van Uw aarde. Ik smeek U, bij allen wier bloed werd vergoten op Uw pad, en die zich in hun vurig verlangen naar U hebben bevrijd van alle gehechtheid aan welke Uwer schepselen dan ook, en die zo overweldigd werden door de zoete geuren van Uw bezieling dat elk hunner lichaamsdelen Uw lof aanhief en meetrilde met Uw gedachtenis, ons de dingen die Gij in deze Openbaring onherroepelijk hebt verordend niet te onthouden – een Openbaring welks kracht iedere boom heeft doen uitroepen wat de Brandende Braamstruik eertijds verkondigde aan Mozes, die met U sprak, een Openbaring die iedere nietigste kiezelsteen wederom Uw lof heeft doen weerklinken, zoals de stenen in de dagen van Mohammed, Uw Vriend, U hebben verheerlijkt.
Dit zijn degenen, o mijn God, die Gij genadiglijk in staat hebt gesteld omgang met U te hebben en zich te onderhouden met Hem die de Openbaarder van Uzelf is. De wind van Uw wil heeft hen wijd en zijd verspreid, totdat Gij hen bijeenbracht onder Uw beschutting en hen de tuin van Uw hof deed binnengaan. Nu Gij hen laat verblijven in de schaduw van het baldakijn van Uw genade, help hen dan datgene te verwerven wat een zo verheven staat past. Laat hen, o mijn Heer, niet worden gerekend tot hen die ervan weerhouden worden Uw gelaat te herkennen hoewel zij U nabij zijn, en die verstoken zijn van Uw tegenwoordigheid hoewel zij U ontmoeten.
Dit zijn Uw dienaren, o mijn Heer, die deze Allergrootste Gevangenis met U zijn binnengegaan, die zich binnen haar muren aan de Vasten hebben gehouden zoals Gij hun hebt bevolen in de Tafelen van Uw besluit en de boeken van Uw bevel. Zend daarom tot hen neer hetgeen hen volkomen zal zuiveren van al wat Gij verafschuwt, opdat zij U geheel toegewijd mogen zijn, en zich volledig mogen onthechten van alles buiten U.
Laat dan op ons neerregenen, o mijn God, hetgeen Uw genade betaamt en Uw milddadigheid past. Maak dan, o mijn God, dat wij leven in het U gedenken en sterven in het U liefhebben, en schenk ons de gave van Uw tegenwoordigheid in Uw werelden hierna – werelden die onnaspeurlijk zijn voor allen buiten U. Gij zijt onze Heer en de Heer aller werelden, en de God van allen die in de hemel en allen die op aarde zijn.
Gij ziet, o mijn God, wat Uw geliefden in Uw dagen is overkomen. Uw glorie is mij tot getuige! De klaagzang Uwer uitverkorenen weerklinkt luide in Uw gehele rijk. Sommigen werden verlokt door de trouwelozen in Uw land en werden door hen verhinderd U nabij te komen en het hof van Uw glorie te bereiken. Anderen konden U naderen, maar werden ervan weerhouden Uw gelaat te aanschouwen. Weer anderen mochten, in hun vurig verlangen U te zien, de tuin van Uw hof betreden, maar zij lieten de sluiers van de inbeeldingen van Uw schepselen en het kwaad dat de onderdrukkers onder Uw volk aanrichtten tussen hen en U komen.
Dit is het uur, o mijn Heer, dat Gij hebt verheven boven elk ander uur en dat Gij hebt verbonden met de voortreffelijksten onder Uw schepselen. Ik smeek U, o mijn God, bij Uzelf en bij hen, om in de loop van dit jaar te verordenen hetgeen Uw geliefden zal verheffen. Beschikt Gij daarbij dan in ditzelfde jaar hetgeen de dagster van Uw kracht zal laten stralen boven de horizon van Uw luister, en de gehele wereld door Uw soevereine macht zal verlichten.
Laat Uw Zaak zegevieren, o mijn Heer, en vernedert Gij Uw vijanden. Bestem dan voor ons het goede van dit leven en van het leven dat komen gaat. Gij zijt de Waarheid, die alle geheimenissen kent. Geen God is er dan Gij, de Immervergevende, de Almilddadige.

Bahá’u’lláh

 

Glorie zij U, o Heer mijn God! Dit zijn de dagen waarop Gij alle mensen hebt geboden te vasten, dat zij daardoor hun ziel kunnen zuiveren en zich van alle gehechtheid aan iemand buiten U kunnen ontdoen, en datgene uit hun hart omhoog mag komen wat het hof van Uw majesteit waardig is en de zetel van de openbaring van Uw één-zijn past. Geef, o mijn God, dat deze vasten een rivier van levengevend water moge worden en de deugd moge voortbrengen waarmee Gij hem hebt begiftigd. Reinigt Gij het hart van Uw dienaren daarmee, zij die zich niet door het kwaad van de wereld hebben laten weerhouden zich tot Uw alglorierijke Naam te wenden, en die onberoerd blijven onder het roerige tumult van hen die Uw luisterrijke tekenen hebben afgewezen, tekenen die gepaard gingen met de komst van Uw Manifestatie die Gij hebt bekleed met Uw soevereiniteit, Uw kracht, Uw majesteit en Uw glorie. Dit zijn die dienaren die zich, zodra Uw roep hen bereikte, onmiddellijk naar Uw barmhartigheid hebben gehaast en zich niet van U hebben laten weerhouden door de wisselvalligheden van deze wereld of door enige menselijke beperking.
Ik ben degeen, o mijn God, die Uw eenheid belijdt, Uw één-zijn erkent, zich nederig voor de openbaring van Uw majesteit buigt en met neergeslagen ogen de pracht van het licht van Uw alles te boven gaande glorie onderkent. Ik geloof in U vanaf het moment dat Gij Uzelf aan mij kenbaar hebt gemaakt, Uw Zelf dat Gij door de kracht van Uw soevereiniteit en macht voor ‘s mensen oog hebt onthuld. Tot Hem heb ik mij gewend, geheel onthecht van alle dingen, en ik klem mij vastberaden aan het koord van Uw giften en gaven. Ik aanvaard Zijn waarheid en de waarheid van alle wondere wetten en geboden die tot Hem zijn neergezonden. Ik vast uit liefde voor U en naar Uw voorschrift, en breek mijn vasten naar Uw welbehagen, met Uw lof op mijn lippen. Laat mij niet gerekend worden, o mijn Heer, tot hen die overdag vasten, die zich ’s nachts voor Uw gelaat ter aarde werpen, maar Uw waarheid loochenen, niet in Uw tekenen geloven, Uw getuigenis weerspreken en Uw woorden verdraaien.
Opent Gij mijn ogen, o mijn Heer, en de ogen van allen die U zoeken, opdat wij U met Uw eigen ogen herkennen. Dit is Uw bevel, ons gegeven in het Boek dat Gij hebt neergezonden tot Hem die Gij hebt verkozen naar Uw wens, die Gij boven al Uw schepselen Uw gaven hebt verleend, die Gij naar Uw behagen hebt bekleed met Uw soevereiniteit, die Gij boven allen hebt begunstigd en Uw Boodschap voor uw volk hebt toevertrouwd. Geprezen zijt Gij daarom, o mijn God, aangezien Gij ons genadiglijk in staat hebt gesteld om Hem te erkennen en al hetgeen tot Hem is neergezonden te aanvaarden, en ons de eer hebt verleend de tegenwoordigheid te bereiken van Hem die Gij in Uw Boek en in Uw Tafelen hebt beloofd.
Gij ziet mij hier, o mijn God, met mijn gelaat naar U gericht, mij standvastig aan het koord van Uw genadige voorzienigheid en edelmoedigheid klemmen en mij aan de zoom van Uw tedere barmhartigheid en overvloedige gaven vasthouden. Ik smeek U, ontneem mij niet de hoop op het bereiken van datgene wat Gij hebt bestemd voor Uw dienaren die zich naar de tuin van Uw hof en het heiligdom van Uw tegenwoordigheid hebben gekeerd, en de Vasten hebben gehouden uit liefde voor U. Ik beken, o mijn God, dat al wat ik doe Uw soevereiniteit volstrekt onwaardig is en Uw majesteit tekortdoet. En toch smeek ik U bij Uw Naam waardoor Gij Uzelf in de glorie van Uw uitmuntende titels aan al het geschapene geopenbaard hebt, een Openbaring waarmee Gij door Uw luisterrijkste Naam Uw schoonheid zichtbaar hebt gemaakt, mij te drinken te geven van de wijn van Uw barmhartigheid en van de zuivere drank van Uw gaven, die voortstromen uit de rechterhand van Uw wil, opdat ik mijn blik zo vast op U vestig en zo onthecht van alles buiten U mag zijn dat de wereld en al wat daarin geschapen is mij voorkomt als een vluchtige dag die Gij U niet verwaardigd hebt te scheppen.
Daarenboven smeek ik U, o mijn God, om vanuit de hemel van Uw wil en de wolken van Uw barmhartigheid datgene op ons neer te laten regenen wat ons zal reinigen van de nare zweem van onze overtredingen, o Gij die Zich de God van Barmhartigheid noemt! Gij zijt waarlijk de Krachtigste, de Alglorierijke, de Weldadige.
O mijn Heer, weiger hem die zich tot U gekeerd heeft niet, noch laat hem die U genaderd is ver van Uw hof verwijderd worden. Ontneem deze smekeling die zijn handen verlangend uitstrekt naar Uw genade en gaven zijn hoop niet, noch ontzeg Uw oprechte dienaren de wonderen van Uw tedere barmhartigheid en goedertierenheid. Vergevend en almilddadig zijt Gij, o mijn Heer! Krachtig zijt Gij te doen naar Uw behagen. Allen buiten U zijn zwak bij de openbaring van Uw macht, als verloren bij de bewijzen van Uw rijkdom, als niets vergeleken bij de openbaring van Uw alles te boven gaande soevereiniteit, en verstoken van alle kracht tegenover de tekenen en blijken van Uw macht. Welke schuilplaats is er buiten U, o mijn Heer, waarheen ik kan vluchten, en waar is een toevluchtsoord waarheen ik mij kan haasten?
Neen, de kracht van Uw macht is mij tot getuige! Er is geen beschermer dan Gij, geen vluchtplaats dan bij U, geen toevlucht dan Gij. Laat mij dan proeven, o mijn Heer, van de goddelijke zoetheid van het U gedenken en loven. Ik zweer bij Uw macht! Al wie die zoetheid proeft zal zich ontdoen van alle gehechtheid aan de wereld en al wat daarin is, en zijn gelaat naar U wenden, gezuiverd van het gedenken van iemand buiten U.
Beziel mij dan, o mijn Heer, met Uw wonderbare gedachtenis, dat ik Uw Naam mag verheerlijken. Reken mij niet tot hen die Uw woord lezen maar daar niet Uw verborgen gift vinden die er, volgens Uw gebod, in besloten ligt, en die de ziel van Uw schepselen en het hart van Uw dienaren doet opleven. Laat mij, o mijn Heer, gerekend worden tot hen die zo geraakt zijn door de zoete geuren die in Uw dagen verspreid zijn dat zij hun leven voor U geven en zich naar het toneel van hun dood spoeden in hun verlangen Uw schoonheid te aanschouwen en in hun hunkering Uw tegenwoordigheid te bereiken. En mocht iemand hen dan aanspreken en vragen “Waar gaat gij heen?” dan zouden zij antwoorden: “Tot God, de Albezitter, de Helper in nood, de Bij-zich-bestaande!”
De overtredingen van diegenen die zich van U hebben afgewend en zich hooghartig jegens U hebben gedragen, hebben hen niet kunnen beletten U lief te hebben, hun gelaat naar U te keren en zich tot Uw barmhartigheid te wenden. Dit zijn degenen die gezegend zijn door de scharen in den hoge, die verheerlijkt worden door de inwoners van de eeuwige steden en daarenboven door hen op wiens voorhoofd Uw verhevenste pen heeft geschreven: “Zie hier! Het volk van Bahá. Door hen is de pracht van het licht van leiding verspreid.” Aldus is naar Uw bevel en Uw wil beschikt in de Tafel van Uw onherroepelijk besluit.
Verkondig daarom hun grootheid, o mijn God, en de grootheid van hen die tijdens hun leven of na hun dood rond hen cirkelen. Voorzie hen van hetgeen Gij hebt beschikt voor de rechtvaardigen onder Uw schepselen. Machtig zijt Gij alle dingen te volbrengen. Er is geen God dan Gij, de Krachtigste, de Helper in nood, de Almachtige, de Barmhartigste.
Breng ons vasten niet tot een einde met deze vasten, o mijn Heer, en de Verbonden die Gij hebt gesloten niet met dit verbond. Aanvaardt Gij toch al wat wij hebben gedaan uit liefde voor U en omwille van Uw behagen, en al wat wij hebben nagelaten vanwege onze kwade en verdorven neigingen. Zorg dan dat wij ons onwrikbaar aan Uw liefde en Uw welbehagen vasthouden, en bescherm ons tegen het kwaad van hen die U loochenen en Uw luisterrijkste tekenen verwerpen. Gij zijt in waarheid de Heer van deze wereld en van de volgende. Geen God is er buiten U, de Verhevene, de Allerhoogste.
Verheerlijkt Gij, o Heer mijn God, Hem die het Eerste Punt is, het Goddelijke Mysterie, de Ongeziene Essentie, de Goddelijke Dageraad en de Manifestatie van Uw Heerschappij, die alle kennis uit het verleden en alle kennis van de toekomst inzichtelijk heeft gemaakt, die de parelen van Uw verborgen wijsheid aan het licht heeft gebracht, en het mysterie van Uw gekoesterde naam heeft onthuld, die Gij hebt aangesteld als de Aankondiger van Degeen door Wiens naam de letters W, E, E en S zijn samengevoegd en verbonden, die Uw majesteit, Uw soevereiniteit en Uw macht bekend heeft gemaakt, door Wie Uw woorden neergezonden zijn, Uw wetten duidelijk uiteengezet zijn, Uw tekenen wijd en zijd verspreid zijn en Uw Woord gevestigd is, door Wie het hart van Uw uitverkorenen is blootgelegd en allen die in de hemelen en op aarde samengebracht zijn, die Gij ‘Ali-Muhammad genoemd hebt in het koninkrijk van Uw namen, en de Geest der Geesten in de Tafelen van Uw onherroepelijk bevel, die Gij hebt bekleed met Uw eigen titel, tot Wiens naam alle andere namen op Uw bevel en door de kracht van Uw macht hebben moeten wederkeren, en in Wie Gij al Uw hoedanigheden en titels tot hun uiteindelijke vervulling hebt doen komen. Hem behoren ook die namen die in Uw smetteloze tabernakelen, in Uw onzichtbare wereld en in Uw geheiligde steden verborgen liggen.
Verheerlijkt Gij bovendien hen die in Hem en in Zijn tekenen geloven en zich tot Hem keren onder diegenen die Uw eenheid hebben erkend in Zijn jongste Manifestatie – een Manifestatie waarvan Hij gewag heeft gemaakt in Zijn Tafelen, Zijn Boeken en Zijn Geschriften, en in alle wondere verzen en schitterende woorden die tot Hem zijn neergedaald. Het is diezelfde Manifestatie die Gij opgedragen hebt Zijn verbond te vestigen aleer Hij Zijn eigen verbond vestigde. Hij is het Wiens eer verheerlijkt werd in de Bayán. Daarin werd Zijn voortreffelijkheid geprezen, Zijn waarheid gevestigd, Zijn soevereiniteit verkondigd en Zijn Zaak vervolmaakt.
Gezegend is de mens die zich tot Hem heeft gewend en heeft volbracht wat Hij bevolen heeft, o Gij die de Heer der wereld zijt en het Verlangen van allen die U kennen!
Geprezen zijt Gij, daar Gij ons hebt geholpen Hem te erkennen en lief te hebben. Ik smeek U daarom bij Hem, en bij Hen die het ochtendgloren van Uw goddelijkheid zijn, de Manifestaties van Uw heerschappij, de Schatkamers van Uw Openbaring, en de Bewaarplaatsen van Uw bezieling, ons in staat te stellen Hem te dienen en te gehoorzamen, en ons de kracht te geven Zijn Zaak te kunnen helpen en Zijn tegenstanders te kunnen verdrijven. Krachtig zijt Gij al wat U behaagt te doen. Geen God is er buiten U, de Almachtige, de Alglorierijke, Degeen Wiens hulp wordt ingeroepen door alle mensen!

Bahá’u’lláh

 

Lof zij U, o Heer mijn God! Wij hebben ons aan de Vasten gehouden overeenkomstig Uw gebod en beëindigen die nu door Uw liefde en Uw welbehagen. Wilt Gij dan, o mijn God, de daden aanvaarden die wij geheel omwille van Uw schoonheid op Uw pad verrichten met ons gelaat naar Uw Zaak gekeerd, vrij van alles buiten U. Schenk dan Uw vergeving aan ons, aan onze voorvaderen en aan allen die in U en in Uw machtige tekenen geloven in deze grootste, deze glorierijkste Openbaring. Machtig zijt Gij te doen wat Gij verkiest. Gij zijt waarlijk de Verhevenste, de Almachtige, de Onbeperkte.

Bahá’u’lláh

 

Geprezen zijt Gij, o God mijn God! Dit zijn de dagen waarop Gij Uw uitverkorenen, Uw geliefden en Uw dienaren hebt opgedragen de Vasten, die Gij tot een licht voor het volk van Uw koninkrijk hebt gemaakt, in acht te nemen, evenals Gij verplicht gebed tot een ladder naar omhoog hebt gemaakt voor hen die Uw eenheid erkennen. Ik smeek U, o mijn God, bij deze twee machtige pilaren die Gij hebt beschikt tot glorie en eer van de gehele mensheid, Uw religie te behoeden voor het kwaad van de verdorvenen en het samenzweren van alle boosdoeners. O Heer, verberg het licht niet dat Gij hebt geopenbaard door Uw kracht en Uw almacht. Sta hen die waarlijk in U geloven bij met de scharen van zichtbaren en onzichtbaren door Uw gebod en Uw soevereiniteit. Geen God is er dan Gij, de Almachtige, de Krachtigste.

Bahá’u’lláh

 

Gij ziet, o God van Barmhartigheid, Gij Wiens kracht al het geschapene doordringt, deze dienaren van U, Uw slaven, die overeenkomstig het welbehagen van Uw wil overdag de door U voorgeschreven vasten nakomen, die bij het krieken van de dag opstaan om van Uw Naam te gewagen en Uw lof te bezingen, in de hoop hun deel te verkrijgen van de voortreffelijkheden die bewaard liggen in de schatkamers van Uw genade en milddadigheid. Ik smeek U, o Gij die de teugels van de gehele schepping in Uw handen houdt en in Wiens greep het ganse koninkrijk van Uw namen en hoedanigheden ligt, om Uw dienaren in Uw Dag niet de stromen te onthouden die neerdalen uit de wolken van Uw barmhartigheid, en hen niet te weerhouden hun deel uit de oceaan van Uw welbehagen te nemen.
Alle atomen van de aarde getuigen, o mijn Heer, van de grootsheid van Uw kracht en Uw heerschappij, en alle tekenen van het heelal bevestigen de heerlijkheid van Uw majesteit en Uw macht. O Gij die de oppermachtige Heer van allen zijt, de Koning van eeuwige dagen en Heerser over alle natiën, heb dan mededogen met deze dienaren van U, die zich vastklemmen aan het koord van Uw geboden, die het hoofd buigen voor de openbaring van Uw wetten die zijn neergezonden uit de hemel van Uw Wil.
Zie, o mijn Heer, hoe hun blik omhoog is gericht naar de dageraadsplaats van Uw goedertierenheid, hoe zij verlangen naar de oceaan van Uw gunsten, hoe hun stem zachter wordt bij de klanken van Uw lieflijkste Stem, die roept vanuit de verhevenste Rang, uit Uw Naam, de Alglorierijke. Helpt Gij Uw geliefden, o mijn Heer, die van alles afstand hebben gedaan, dat zij de dingen mogen verkrijgen die Gij bezit, zij die door tegenspoed en beproevingen zijn omgeven omdat zij de wereld hebben verzaakt en hun genegenheid hebben gericht op Uw rijk van heerlijkheid. Ik smeek U, o mijn Heer, bescherm hen tegen de aanvallen van hun verdorven hartstochten en begeerten, en help hen de dingen te verwerven die hun in deze wereld en de volgende baten.
Ik smeek U, o mijn Heer, bij Uw verborgen, gekoesterde Naam, die luide roept in het rijk van schepping, en alle volkeren oproept tot de Boom waar niemand voorbij kan gaan, de Zetel van alles te boven gaande heerlijkheid, op ons en op Uw dienaren de overvloedige regen van Uw barmhartigheid te doen neerdalen, om ons te reinigen van het gedenken van alles buiten U en ons nader te voeren tot de kusten van de oceaan van Uw genade. O Heer, beschik door Uw verhevenste Pen hetgeen onze ziel onsterfelijk zal maken in het rijk van heerlijkheid, onze naam zal bestendigen in Uw koninkrijk en ons leven zal bewaren in de schatkamer van Uw bescherming en ons lichaam zal behoeden in de vesting van Uw onschendbaar bastion. Machtig zijt Gij over alle dingen, van verleden en toekomst. Geen God is er dan Gij, de almachtige Beschermer, de Bij-zich-bestaande.
Gij ziet, o Heer, onze handen smekend geheven naar de hemel van Uw gunst en milddadigheid. Geef dat ze gevuld mogen worden met de schatten van Uw vrijgevigheid en milddadige gunst. Vergeef ons, en onze vaders, en onze moeders en vervul al wat wij verlangen van de oceaan van Uw genade en goddelijke vrijgevigheid. Aanvaard, o Geliefde van ons hart, al onze werken op Uw pad. Gij zijt waarlijk de Krachtigste, de Verhevenste, de Onvergelijkelijke, de Ene, de Vergevende, de Genadige.

Bahá’u’lláh

Ga naar: Overzicht Gebeden