Verplichte Gebeden

“Er zijn drie dagelijkse verplichte gebeden. De gelovigen zijn geheel vrij in hun keuze, doch zijn verplicht om één van deze gebeden te reciteren met de aanwijzingen die daarbij gegeven zijn.”

Uit een brief geschreven namens Shoghi Effendi

 

“Met “ochtend”, “middag” en “avond”, genoemd in verband met de Verplichte Gebeden, wordt bedoeld respectievelijk de tijd tussen zonsopgang en het middaguur, tussen het middaguur en zonsondergang, en van zonsondergang tot twee uur na zonsondergang.”

De Kitáb-i-Aqdas

Het korte Verplichte Gebed

Eens in de vierentwintig uur te reciteren, 
in de middag

 

Ik getuig, o mijn God, dat Gij mij hebt geschapen om U te kennen en te aanbidden. Ik betuig op dit ogenblik mijn machteloosheid en Uw macht, mijn armoede en Uw rijkdom.
Er is geen ander God dan Gij, de Helper in nood, de Bij-zich-bestaande.

Bahá’u’lláh

Het middellange Verplichte Gebed

Dagelijks te reciteren, ’s ochtends, ‘s middags en ’s avonds.

 

Laat al wie wenst te bidden, zijn handen wassen en onder het wassen zeggen:

Sterk mijn hand, o mijn God, dat zij Uw Boek zo onwrikbaar mag vasthouden dat de wereldse scharen er geen macht over zullen hebben. Behoed haar dan voor bemoeienis met al hetgeen haar niet toebehoort. Gij zijt waarlijk de Almachtige, de Almogende.

 

Laat hij terwijl hij zijn gezicht wast, zeggen:

Ik heb mijn gelaat naar U gekeerd, o mijn Heer! Verlicht het met het licht van Uw aanschijn. Bescherm het, dat het zich tot niemand wende buiten U.

 

Laat hij dan rechtop staan en met zijn gezicht naar de Qiblih (Bahjí, Akká) zeggen:

God betuigt dat er geen ander God is dan Hij. Hem behoren de koninkrijken van openbaring en van schepping. Hij heeft in waarheid Hem geopenbaard die de Dageraad van Openbaring is, die op de Sinaï heeft gesproken, door wie de Allerhoogste Horizon is gaan lichten, en de Lotusboom waar niemand voorbij kan gaan heeft gesproken, en door wie aan allen in de hemel en op aarde de roep is verkondigd: “Zie, de Albezitter is gekomen. Hemel en aarde, glorie en heerschappij zijn van God, de Heer aller mensen en de Bezitter van de Troon in den hoge en van de aarde hier beneden!”

 

Laat hij dan buigen, met de handen rustend op de knieën, en zeggen:

Verheven zijt Gij boven mijn lof en de lof van eenieder buiten mij, boven mijn beschrijving en de beschrijving van allen die in de hemel en allen die op aarde zijn!

 

Laat hij dan, staande met open handen, de handpalmen naar zijn gezicht geheven, zeggen:

Stel, o mijn God, hem die zich met smekende vingers aan de zoom van Uw genade en barmhartigheid vastklemt niet teleur, o Gij die van hen die erbarmen tonen de Barmhartigste zijt!

 

Laat hij dan gaan zitten en zeggen:

Ik getuig van Uw eenheid en Uw één-zijn, en dat Gij God zijt, en dat er geen ander God is dan Gij. Waarlijk, Gij hebt Uw Zaak geopenbaard, Uw Verbond vervuld en de deur van Uw barmhartigheid wijd geopend voor allen die in de hemel en op aarde verwijlen. Zegen en vrede, heil en heerlijkheid rusten op Uw geliefden die door het wel en wee der wereld niet zijn weerhouden zich tot U te wenden en die alles geven in de hoop te verkrijgen hetgeen bij U is. Gij zijt in waarheid de Immervergevende, de Almilddadige.

(Als iemand in plaats van het lange vers de volgende woorden verkiest te reciteren: “God betuigt dat er geen ander God is dan Hij, de Helper in nood, de Bij-zich-bestaande”, zal dit voldoende zijn. Ook zal het voldoende zijn als hij zittende deze woorden zegt: “Ik getuig van Uw eenheid en Uw één-zijn, en dat Gij God zijt, en dat er geen ander God is dan Gij.”)

Bahá’u’lláh

Het lange Verplichte Gebed

Eens in de vierentwintig uur te reciteren.

 

Al wie dit gebed wenst te reciteren, laat hij gaan staan en zich tot God wenden en laat hij, terwijl hij daar stilstaat, naar links en rechts kijken als verwacht hij de genade van zijn Heer, de Albarmhartige, de Meedogende. Laat hij dan zeggen:

O Gij, die de Heer aller namen zijt en de Maker der hemelen! Ik smeek U, bij Hen die de Dageraden zijn van Uw onzichtbare Essentie, de Verhevenste, de Alglorierijke, mijn gebed te maken tot een vuur dat de sluiers die mij van Uw schoonheid uitsluiten zal wegbranden en tot een licht dat mij naar de oceaan van Uw tegenwoordigheid zal leiden.

 

Laat hij dan zijn handen smekend heffen tot God – gezegend en verheven zij Hij – en zeggen:

O Gij het Verlangen der wereld en Geliefde der volkeren! Gij ziet hoe ik mij tot U keer, bevrijd van alle gehechtheid aan eenieder buiten U, en mij vastklem aan Uw koord door welks beweging de gehele schepping in beroering is gebracht. Ik ben Uw dienaar, o mijn Heer, en de zoon van Uw dienaar. Aanschouw mij, bereid Uw wil te doen en Uw verlangen te vervullen, en niets anders wensend dan Uw welbehagen. Ik smeek U bij de oceaan van Uw erbarmen en de dagster van Uw genade om met Uw dienaar te doen naar Uw wil en behagen. Bij Uw macht die alle vermelding en lof verre te boven gaat! Al hetgeen door U is geopenbaard, is wat mijn hart verlangt en mijn ziel liefheeft. O God, mijn God! Zie niet naar wat ik hoop en doe, neen, zie liever naar Uw wil die hemelen en aarde omvat. Bij Uw Allergrootste Naam, o Gij Heer aller volkeren! Ik verlang slechts hetgeen Gij verlangt en heb slechts lief hetgeen Gij liefhebt.

 

Laat hij dan neerknielen en met zijn voorhoofd op de grond zeggen:

Verheven zijt Gij boven de beschrijving van ieder ander dan Uzelf en boven het begrip van alles buiten U.

 

Laat hij dan opstaan en zeggen:

Maak mijn gebed, o mijn Heer, tot een bron van levend water waardoor ik leve zolang Uw heerschappij voortduurt en U noeme in elk van Uw werelden.

 

Laat hij opnieuw zijn handen smekend heffen en zeggen:

O Gij, om wie harten en zielen, wanneer van U gescheiden, wegkwijnen en door het vuur van Wiens liefde de gehele wereld in vlam is gezet! Ik smeek U, bij Uw Naam door welke Gij de gehele schepping onderwerpt, mij niet te onthouden hetgeen bij U is, o Gij die over alle mensen heerst! Gij ziet, o mijn Heer, deze vreemdeling zich haasten naar zijn verhevenste woning onder het baldakijn van Uw majesteit en in de voorhof van Uw barmhartigheid, en deze zondaar de oceaan van Uw vergiffenis, deze ootmoedige het hof van Uw heerlijkheid en dit arme schepsel de luister van Uw rijkdom zoeken. Aan U is het gezag om al hetgeen Gij wilt te bevelen. Ik getuig dat Gij moet worden geprezen in Uw werken en gehoorzaamd in Uw bevelen en dat Gij steeds onbeperkt blijft in Uw gebod.

 

Laat hij dan zijn handen heffen en driemaal de Grootste Naam zeggen. Laat hij zich dan met zijn handen op zijn knieën voor God – gezegend en verheven zij Hij – neerbuigen en zeggen:

Gij ziet, o mijn God, hoe mijn geest in merg en been is wakker geschud in zijn verlangen U te aanbidden en in zijn hunkering U te gedenken en U te loven; hoe hij betuigt hetgeen de Tong van Uw gebod betuigt in het koninkrijk van Uw woord en in de hemel van Uw kennis. In deze staat, o mijn Heer, smeek ik U zielsgraag om al hetgeen bij U is, dat ik mijn armoede tone en Uw milddadigheid en Uw rijkdom verheerlijke, mijn machteloosheid verkondige en Uw kracht en Uw macht openbare.

 

Laat hij dan opstaan, tweemaal zijn handen smekend heffen, en zeggen:

Er is geen God dan Gij, de Almachtige, de Almilddadige. Er is geen God dan Gij, de Beschikker, zowel in den beginne als in het einde. O God, mijn God! Uw vergiffenis heeft mij moed gegeven en Uw barmhartigheid heeft mij gesterkt; Uw roep heeft mij gewekt en Uw genade heeft mij opgericht en mij tot U geleid. Wie ben ik immers dat ik aan de poort van de stad van Uw nabijheid zou durven staan of mijn gelaat zou durven keren naar het licht dat uit de hemel van Uw wil schijnt? Gij ziet, o mijn Heer, dit armzalige schepsel aan de deur van Uw genade kloppen en deze vergankelijke ziel de rivier van eeuwig leven zoeken uit de handen van Uw milddadigheid. Aan U is het te allen tijde te bevelen, o Gij die de Heer aller namen zijt, en het is aan mij te berusten en mij vol overgave te onderwerpen aan Uw wil, o Schepper der hemelen!

 

Laat hij dan driemaal zijn handen heffen en zeggen:

God is groter dan ieder die groot is!

 

Laat hij dan neerknielen en met zijn voorhoofd op de grond zeggen:

Gij zijt zo verheven dat de lof van hen die U nabij zijn niet kan opstijgen naar de hemel van Uw nabijheid, en de vogelen der harten van hen die U zijn toegewijd de deur van Uw poort niet kunnen bereiken. Ik betuig dat Gij boven alle eigenschappen verheven zijt en boven alle namen geheiligd. Geen God is er dan Gij, de Verhevenste, de Alglorierijke.

 

Laat hij dan gaan zitten en zeggen:

Ik betuig hetgeen al het geschapene en de Schare in den hoge en de bewoners van het allerhoogste Paradijs en daarenboven de Tong van Grootheid zelf vanaf de alglorierijke Horizon betuigen: dat Gij God zijt, dat er geen God is dan Gij en dat Hij die is geopenbaard het verborgen Mysterie is, het gekoesterde Symbool door wie de letters W, E, E, en S (Wees) zijn samengevoegd en verbonden. Ik betuig dat Hij degeen is Wiens naam is neergeschreven door de Pen van de Allerhoogste en die vermeld is in de Boeken Gods, de Heer van de Troon in den hoge en van de aarde hier beneden.

 

Laat hij dan rechtop staan en zeggen:

O Heer van alle zijn en Bezitter van al het zichtbare en onzichtbare! Gij bemerkt mijn tranen en de zuchten die ik slaak, en hoort mijn steunen, mijn jammeren en het weeklagen van mijn hart. Bij Uw macht! Mijn overtredingen beletten mij U te naderen, en mijn zonden houden mij ver van het hof van Uw heiligheid. Uw liefde, o mijn Heer, verrijkt mij, het gescheiden zijn van U vernietigt mij en het veraf zijn van U verteert mij. Ik smeek U bij Uw voetstappen in deze wildernis en bij de woorden “Hier ben ik. Hier ben ik” die Uw Uitverkorenen in deze onmetelijkheid hebben geuit, en bij de ademtocht van Uw Openbaring en de zachte bries van de Dageraad van Uw Manifestatie te beschikken dat ik Uw schoonheid mag aanschouwen en al hetgeen in Uw Boek is neergelegd nakome.

 

Laat hij dan driemaal de Grootste Naam zeggen, zich neerbuigen en met zijn handen op zijn knieën rustend, zeggen:

Ere zij U, o mijn God, dat Gij mij hebt bijgestaan U te gedenken en U te loven, en dat Gij Hem die de Dageraad van Uw tekenen is aan mij hebt bekendgemaakt; dat Gij mij ertoe hebt gebracht mij voor Uw Heerschappij te buigen, mij voor Uw Godheid te verootmoedigen en hetgeen door de Tong van Uw grootheid is geuit te erkennen.

 

Laat hij dan rechtop gaan staan en zeggen:

O God, mijn God! Mijn rug is gebogen onder de last van mijn zonden en mijn onachtzaamheid heeft mij vernietigd. Steeds wanneer ik mijn boze werken en Uw weldadigheid overdenk, verteert mijn hart in mij en kookt het bloed in mijn aderen. Bij Uw Schoonheid, o Gij het Verlangen der wereld! Ik schaam mij mijn gelaat tot U te heffen, en mijn verlangende handen schromen zich uit te strekken naar de hemel van Uw milddadigheid. Gij ziet, o mijn God, hoe mijn tranen mij beletten U te gedenken en Uw deugden te prijzen, o Gij, de Heer van de Troon in den hoge en van de aarde hier beneden! Ik smeek U, bij de tekenen van Uw Koninkrijk en de geheimen van Uw Heerschappij, met Uw geliefden te doen naar het Uw milddadigheid betaamt, o Heer van alle zijn, en het Uw genade waardig is, o Koning van het geziene en het ongeziene!

 

Laat hij dan driemaal de Grootste Naam zeggen, neerknielen met zijn voorhoofd op de grond, en zeggen:

Ere zij U, o onze God, dat Gij tot ons hebt neergezonden hetgeen ons U doet naderen en dat Gij ons voorziet van al het goede dat Gij in Uw Boeken en Geschriften tot ons hebt gezonden. Wij smeken U, o mijn Heer, bescherm ons tegen de scharen van ijdele waan en nutteloze verbeelding. Gij zijt in waarheid de Machtige, de Alwetende.

 

Laat hij dan zijn hoofd oprichten, gaan zitten en zeggen:

Ik betuig, o mijn God, hetgeen Uw uitverkorenen betuigen en erken hetgeen de bewoners van het allerhoogste Paradijs en zij die Uw machtige Troon omringen erkennen. De koninkrijken van hemel en aarde zijn de Uwe, o Heer der werelden!

Bahá’u’lláh

Ga naar: Overzicht Gebeden