Vrouwen

O Gij, Wiens gelaat het voorwerp van aanbidding is van allen die naar U smachten, Wiens tegenwoordigheid de hoop is van hen die Uw wil geheel zijn toegewijd, Wiens nabijheid het verlangen is van allen die Uw hof zijn genaderd, Wiens aangezicht de metgezel is van hen die Uw waarheid hebben erkend, Wiens Naam de drijfveer is van de zielen die ernaar hunkeren Uw gelaat te aanschouwen, Wiens stem het ware leven is van Uw minnaars, de woorden uit Wiens mond als levend water zijn voor allen in de hemel en op aarde!
Ik smeek U, bij het onrecht dat Gij hebt geleden en het kwaad dat U is aangedaan door scharen onrechtplegers, om uit de wolken van Uw mededogen tot mij neer te zenden hetgeen mij zal zuiveren van al wat niet van U is, dat ik waardig mag zijn U te prijzen en U lief te hebben.
O mijn Heer, onthoud mij de dingen niet die Gij beschikt hebt voor diegenen onder Uw dienaressen die rond U cirkelen en die voortdurend worden overgoten met de pracht van de zon van Uw schoonheid en de stralen van de glans van Uw gelaat. Gij zijt Degeen die sedert het begin der tijden al wie U zoekt bijstaat, en hem die daarom vraagt overvloedig begunstigt.
Geen God is er buiten U, de Machtige, de Immerblijvende, de Almilddadige, de Edelmoedigste.

Bahá’u’lláh

 

Glorie zij U, o mijn God! Mijn gelaat is naar Uw gelaat gekeerd, en mijn gelaat is waarlijk Uw gelaat, en mijn roep is Uw roep, en mijn openbaring Uw Openbaring, en mijn zelf Uw Zelf, en mijn zaak Uw Zaak, en mijn bevel Uw bevel, en mijn wezen Uw Wezen, en mijn soevereiniteit Uw soevereiniteit, en mijn glorie Uw glorie, en mijn kracht Uw kracht.
Ik smeek U, o Gij Vormer der natiën en de Koning der eeuwigheid, Uw dienaressen binnen de tabernakel van Uw kuisheid te beschutten, en hun daden die Uw dagen onwaardig zijn ongedaan te maken. Zuiver hen dan, o mijn God, van alle twijfel en ijdele waan en heilig hen van al hetgeen zich niet verdraagt met hun verwantschap met U, o Gij die de Heer der namen zijt en de Bron van uiting. Gij zijt Degeen in Wiens greep de teugels der gehele schepping rusten.
Geen God is er dan Gij, de Almachtige, de Verhevenste, de Alglorierijke, de Bij-zich-bestaande.

Bahá’u’lláh

 

Verheerlijkt zijt Gij, o Heer mijn God! Gij zijt Degeen die met het vuur van Zijn liefde het hart van hen die Uw eenheid hebben erkend in vlam heeft gezet, en die met de pracht van Zijn aangezicht het gelaat van hen die Uw hof zijn genaderd heeft verlicht. Hoe overvloedig, o mijn God, is de stroom van Uw kennis! Hoe zoet, o mijn Geliefde, is de verwonding die ik, in mijn liefde voor U en omwille van Uw behagen, onderga door de pijlen van boosaardigen! Hoe aangenaam zijn de wonden die ik op Uw pad en bij het verkondigen van Uw Geloof oploop door het zwaard van de ongelovigen!
Ik smeek U, bij Uw Naam waarmee Gij rusteloosheid in kalmte verandert, angst in vertrouwen, zwakte in kracht en vernedering in glorie, dat Gij mij en Uw dienaren in Uw genade wilt helpen Uw Naam te verheerlijken, Uw Boodschap te brengen en Uw Zaak te verkondigen op zulk een wijze dat wij noch door de aanvallen van de overtreders noch door de toorn van de ongelovigen geraakt worden, o Gij die mijn Welbeminde zijt!
Ik ben Uw dienares, o mijn Heer, die Uw roep heeft gehoord en zich naar U heeft gehaast, die zichzelf ontvlucht en bij U een gerust hart zoekt. Ik smeek U, o mijn Heer, bij Uw Naam van waaruit alle schatten der wereld zijn voortgekomen, mij te beschutten tegen de toespelingen van hen die niet in U geloven en Uw waarheid hebben afgewezen.
Krachtig zijt Gij te doen naar Uw behagen. Gij zijt waarlijk de Alwetende, de Alwijze.

Bahá’u’lláh

 

Verheerlijkt zij Uw Naam, o Heer mijn God! Aanschouwt Gij mijn oog dat hoopt de wonderen van Uw genade te aanschouwen, en mijn oor dat ernaar verlangt Uw zoete melodieën te beluisteren, en mijn hart dat hunkert naar de levende wateren Uwer kennis. Gij ziet Uw dienares, o mijn God, voor de verblijfplaats van Uw barmhartigheid staan, en U aanroepen bij Uw Naam die Gij boven alle andere namen hebt verkozen en boven allen die in de hemel en op aarde zijn hebt geplaatst. Zend de ademtochten van Uw genade tot haar neer, dat zij volkomen van zichzelf zal worden weggevoerd en geheel zal worden aangetrokken tot de zetel die schittert met de luister van Uw gelaat, alom de glans van Uw soevereiniteit verspreidt en die U tot troon dient. Machtig zijt Gij te doen hetgeen Gij wilt. Er is geen God buiten U, de Alglorierijke, de Barmhartigste.
Verjaag hen die U zoeken niet, zo smeek ik U, o mijn Heer, en stuur hen die hun schreden naar U hebben gericht niet weg, en onthoud allen die U liefhebben Uw genade niet. Gij zijt Degeen, o mijn Heer, die Zichzelf aanduidt als de God van genade, de Meedogendste. Ontferm U dan over Uw dienares die bij U beschutting heeft gezocht en haar gelaat naar U heeft gekeerd.
Gij zijt waarlijk de Immervergevende, de Genadigste.

Bahá’u’lláh

 

O Gij, voor Wiens ontzaglijke majesteit alle dingen beven, in Wiens greep de aangelegenheden van alle mensen liggen, naar Wiens genade en barmhartigheid het gelaat van al Uw schepselen is gericht! Ik smeek U, bij Uw Naam die Gij hebt verordend tot de geest van alle namen die in het koninkrijk van namen bestaan, ons in deze Openbaring die het koninkrijk van Uw namen heeft doen beven af te schermen van de influisteringen van hen die zich van U hebben afgekeerd en de waarheid van Uw grootste en verhevenste Wezen hebben verworpen.
Ik ben een van Uw dienaressen, o mijn Heer! Ik heb mijn gelaat gekeerd tot het heiligdom van Uw genadegaven en de aanbeden tabernakel van Uw glorie. Zuiver mij van al wat niet van U is, en sterk mij U lief te hebben en te voldoen aan Uw welbehagen, dat ik vreugde mag vinden in het overdenken van Uw schoonheid, en verlost mag worden van alle gehechtheid aan welk Uwer schepselen ook, en ieder moment mag verkondigen: “Verheerlijkt zij God, de Heer der werelden!”
O mijn Heer, laat Uw schoonheid mijn voedsel zijn en het licht van Uw tegenwoordigheid mijn drank, Uw behagen mijn hoop, het U loven mijn daad, het U gedenken mijn metgezel, Uw soevereiniteit mijn helper, Uw verblijf mijn woning en mijn huis de zetel die Gij hebt verheven boven de beperkingen van hen die als door een sluier van U zijn gescheiden.
Gij zijt in waarheid de God van kracht, van sterkte en van glorie.

Bahá’u’lláh

 

Glorie zij U, o mijn God! Een van Uw dienaressen, die in U en in Uw tekenen gelooft, heeft zich onder de schaduw van de boom van Uw één-zijn begeven. Geef haar, o mijn God, bij Uw Naam, de Kenbare en de Verborgene, volop te drinken van Uw uitgelezen verzegelde wijn, dat die haar zal wegvoeren van haar eigen wezen, en maak haar geheel toegewijd aan het U gedenken en geheel onthecht van eenieder buiten U.
Nu Gij haar de kennis van U hebt geopenbaard, o mijn Heer, ontzeg haar in Uw genade Uw goedertierenheid niet, en nu Gij haar tot U hebt geroepen jaag haar in Uw gunst niet van U weg. Voorzie haar dan van hetgeen wat al wat op Uw aarde te vinden is te boven gaat. Gij zijt waarlijk de Milddadigste, Wiens genade onmetelijk is.
Zoudt Gij enig schepsel het gelijke van de koninkrijken van hemel en aarde schenken, zou dat de immensiteit van Uw heerschappij niet verkleinen, zelfs niet ter grootte van een atoom. De mensen plegen U de Grote te noemen, doch Gij zijt veel groter, want een dergelijke titel is slechts één van Uw namen, die alle slechts geschapen zijn door louter een duiding van Uw wil.
Er is geen God dan Gij, de God van kracht, de God van glorie, de God van kennis en wijsheid.

Bahá’u’lláh

 

Gij ziet, o mijn God, hoe de wandaden van diegenen Uwer schepselen die U de rug hebben toegekeerd tussen Hem in wie Uw Godheid zichtbaar is en Uw dienaren zijn gekomen. Zend tot hen neder, o mijn Heer, datgene waardoor zij zich slechts met elkanders zaken inlaten. Laat hun geweld dan tot henzelf beperkt blijven, zodat het gebied en zij die daar wonen rust mogen vinden.
Een van Uw dienaressen, o mijn Heer, heeft Uw gelaat gezocht en haar vlucht genomen tot de sferen van Uw welbehagen. O mijn Heer, onthoud haar de dingen niet die Gij hebt beschikt voor de uitverkorenen onder Uw dienaressen. Geef dan dat zij zo wordt aangetrokken door Uw woorden dat zij Uw lof onder hen zal verheerlijken.
Machtig zijt Gij te doen naar Uw behagen. Geen God is er dan Gij, de Almachtige, Wiens hulp allen afsmeken.

Bahá’u’lláh

 

O mijn Heer, mijn Geliefde, mijn Verlangen! Wees met mij in mijn eenzaamheid en vergezel mij in mijn ballingschap. Verdrijf mijn smart. Laat mij Uw schoonheid toegewijd zijn. Haal mij weg van alles buiten U. Bekoor mij door Uw geuren van heiligheid. Laat mij in Uw Koninkrijk omgaan met hen die gebroken hebben met alles buiten U, die ernaar verlangen aan Uw heilige drempel te dienen en die paraat staan om te werken binnen Uw Zaak. Laat mij een van die dienaressen van U worden die Uw welbehagen hebben verworven. Waarlijk, Gij zijt de Genadige, de Vrijgevige.

‘Abdu’l-Bahá

 

Aanstaande moeders

Mijn Heer! Mijn Heer! Ik loof U en ik dank U voor datgene waarmee Gij Uw nederige dienares, Uw slavin die tot U bidt en smeekt, hebt begunstigd, daar Gij haar waarlijk naar Uw duidelijke Koninkrijk hebt geleid en haar Uw verheven Roep in deze vergankelijke wereld hebt laten horen en Uw tekenen die bewijzen dat Uw zegevierende bewind over alle dingen is verschenen hebt laten waarnemen.O mijn Heer, ik draag hetgeen zich in mijn schoot bevindt aan U op. Geef dan dat het door Uw gunst en edelmoedigheid een lovenswaardig en gelukkig kind wordt in Uw Koninkrijk, dat het opgroeit en zich ontwikkelt onder de hoede van Uw opvoeding. Waarlijk, Gij zijt de Genadige! Waarlijk, Gij zijt de Heer van grote gaven!

‘Abdu’l-Bahá

Ga naar: Overzicht Gebeden